cirkel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈsɪrkəɫ/Betekenis
- een reeks van punten in een tweedimensionaal vlak die alle even ver van het middelpunt verwijderd zijn
- groep van mensen die bij elkaar horen rond een centraal persoon
Hoe spreek je cirkel uit?
/ˈsɪrkəl/
Cirkel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɪ | pit |
| r | rood |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| cirkels | meervoud |
| cirkeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| cirkeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van cirkelen
- gebiedende wijs van cirkelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van cirkelen
Vervoeging van cirkel
cirkelhele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands cirkel van Latijn circulus, in de betekenis van ‘kring’ aangetroffen vanaf 1220
Woordfamilie van cirkel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| cirkels | meervoud | cirkel |
| cirkeltje | verkleinwoord | cirkel |
| cirkeltjes | verkleinwoord meervoud | cirkel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cirkel zijn vastgelegd.