sein
zelfstandig naamwoord, werkwoord /sɛɪn/Betekenis
- een betekenisvolle beweging
- een aanduiding, een aanwijzing
- een verkeerslicht of verkeersbord voor treinen
- zijn
- afkomstig zijn uit
- zijn (nominatief mannelijk, nominatief onzijdig en accusatief onzijdig)
Hoe spreek je sein uit?
/sɛin/
Sein bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɛi | trein |
| n | nek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| seinen | meervoud |
| seintje | verkleinwoord, enkelvoud |
| seintjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van seinen
- gebiedende wijs van seinen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van seinen
Vervoeging van sein
seinhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘teken’ voor het eerst aangetroffen in 1601
Woordfamilie van sein
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| seintje | verkleinwoord | sein |
| seintjes | verkleinwoord meervoud | sein |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sein zijn vastgelegd.