rabbijn
zelfstandig naamwoord /rɑˈbɛin/Betekenis
- joods leraar met de hoogste bevoegdheid, ook bevoegd om te antwoorden en beslissen bij halachische kwesties, vaak verbonden aan een joodse gemeente en daarbij belast met onderwijs en zielzorg, tevens een religieuze, joodse geleerde die een expert is op het gebied van joodse wetgeving
Hoe spreek je rabbijn uit?
/rɑˈbɛin/
Rabbijn bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɑ | bad |
| b | bak |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rabbijnen | meervoud |
| rabbijntje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rabbijntjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘joods godsdienstleraar’ voor het eerst aangetroffen in 1548
Woordfamilie van rabbijn
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rabbijnen | meervoud | rabbijn |
| rabbijntje | verkleinwoord | rabbijn |
| rabbijntjes | verkleinwoord meervoud | rabbijn |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rabbijn zijn vastgelegd.