zijn
werkwoord, zelfstandig naamwoord, bezittelijk voornaamwoord zɛinBetekenis
- bestaan, existeren
- (meestal gevolgd door niet meer): leven
- zich bevinden, ergens aanwezig zijn
- drukt de feitelijke toestand, hoedanigheid of wenselijkheid van iets uit
- (gevolgd door zelfstandignaamwoordgroep): gelijk zijn aan:
- (gevolgd door zelfstandignaamwoordgroep): tot de groep behoren van
- (gevolgd door adjectief): de eigenschap hebben:
- ~ te drukt een soort van verplichting uit, of iets dat noodzakelijk is of voor de hand ligt
- ~ te drukt een mogelijkheid uit
- werkwoord
- van de lijdende vorm
- het bestaan
Hoe spreek je zijn uit?
/zɛin/
Zijn bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛi | trein |
| n | nek |
werkwoord
- : bestaan, existeren ergative
- : leven ergative
- : zich bevinden, ergens aanwezig zijn ergative
- : drukt de feitelijke toestand, hoedanigheid of wenselijkheid van iets uit ergative, impersonal
- : gelijk zijn aan: copulative
- : tot de groep behoren van copulative
- : de eigenschap hebben: copulative
- : ~ + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van een ergatief werkwoord auxiliary
- : ~ + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm auxiliary
Vervoeging van zijn
zijnhele werkwoord — geweestvoltooid deelwoord
zelfstandig naamwoord — neuter
- gegeven dat iets of iemand bestaat
bezittelijk voornaamwoord — possessive
- derde persoon enkelvoud, mannelijk of onzijdig
Verbuiging en vervoeging (bezittelijk voornaamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] zijn | canonical |
Woordfamilie van zijn
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| weze | woordvorm | zijn |
| zijnd | woordvorm | zijn |
| zijnde | woordvorm | zijn |
| zyn | woordvorm | zijn |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zijn zijn vastgelegd.