toer
zelfstandig naamwoord, werkwoord /tur/Betekenis
- rij, kolom
- (rond)reis, tour
- omwenteling
- rij steken naast elkaar
- moeilijk, zwaar werk
- winding waarmee een snoer of kabel om iets heengeslagen wordt
- beurt - toerbeurt
Hoe spreek je toer uit?
/tur/
Toer bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| u | boek |
| r | rood |
Klinkt hetzelfde als tour.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| toeriem | meervoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- reis, tour
- beurt → toerbeurt
- dansfiguur
- Capra een zoogdier uit de familie der holhoornigen (Bovidae)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| toeren | meervoud |
| toertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| toertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toeren
- gebiedende wijs van toeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toeren
Vervoeging van toer
toerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kunststukje’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Woordfamilie van toer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| toeriem | meervoud | toer |
| toertje | verkleinwoord | toer |
| toertjes | verkleinwoord meervoud | toer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toer zijn vastgelegd.