termijn
zelfstandig naamwoord /tɛrˈmɛin/Betekenis
- een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
- een begrensde tijdruimte waarin iets moet gebeuren
- een gedeelte van de schuld dat binnen een vaste periode betaald moet worden
Hoe spreek je termijn uit?
/tɛrˈmɛin/
Termijn bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| m | maan |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| termijnen | meervoud |
| termijntje | verkleinwoord, enkelvoud |
| termijntjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘tijdruimte’ voor het eerst aangetroffen in 1226
Woordfamilie van termijn
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| termijnen | meervoud | termijn |
| termijntje | verkleinwoord | termijn |
| termijntjes | verkleinwoord meervoud | termijn |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van termijn zijn vastgelegd.