vergaan
werkwoord, bijvoeglijk naamwoord vərˈɣanBetekenis
- ten onder gaan, verloren gaan door te zinken
- voorbijgaan, aflopen
- langzamerhand verdwijnen
- in zijn onderdelen uiteenvallen
- kapot gaan, dood gaan
Hoe spreek je vergaan uit?
/vərˈxan/
Vergaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vergaan
vergaanhele werkwoord — vergingverleden tijd enkelvoud — vergingenverleden tijd meervoud — vergaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verga | verging |
| jij | vergaat | verging |
| hij, zij, het | vergaat | verging |
| wij | vergaan | vergingen |
| jullie | vergaan | vergingen |
| zij | vergaan | vergingen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had vergaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vergaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vergaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vergaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vergaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vergaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vergaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vergaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vergaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vergaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vergaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vergaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vergaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vergaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vergaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vergaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vergaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vergaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verga | gebiedende wijs |
| verga | aanvoegende wijs |
| vergaan | verleden tijd, deelwoord |
| vergaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergaand | onvoltooid, deelwoord |
| verging | verleden tijd |
| zal vergaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vergaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vergaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vergaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vergaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou vergaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vergaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vergaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vergaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vergaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vergaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vergaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vergaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vergaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt vergaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vergaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen vergaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vergaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vergaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vergaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vergaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vergaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vergaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult vergaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vergaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
bijvoeglijk naamwoord
- vervlogen bn, voorbij bn; wat in het verleden bestond, maar ten onder is gegaan of afgelopen
Woordvorm
- voltooid deelwoord van vergaan
Vervoeging van vergaan
vergaanhele werkwoord
Herkomst
afgeleid van gaan met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van vergaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verga | gebiedende wijs | vergaan |
| vergaanst | woordvorm | vergaan |
| vergaanste | woordvorm | vergaan |
| vergaat | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vergaan |
| vergane | woordvorm | vergaan |
| verganer | woordvorm | vergaan |
| verganere | woordvorm | vergaan |
| verganers | woordvorm | vergaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vergaan zijn vastgelegd.