verongelukken
werkwoord vərˈɔŋɣəˌlʏkə(n)Betekenis
- bij (tot personen) een ongeluk om het leven komen
- mislukken, niet goed terechtkomen
- (tot vervoermiddelen) onbruikbaar worden door ongeluk
Hoe spreek je verongelukken uit?
/vərˈɔŋxəˌlʏkən/
Verongelukken bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| ŋ | ding |
| x | acht |
| l | land |
| ʏ | put |
| k | kat |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
werkwoord
- bij een ongeluk om het leven komen ergative
- onbruikbaar worden door een ongeluk
Vervoeging van verongelukken
verongelukkenhele werkwoord — verongelukteverleden tijd enkelvoud — verongeluktenverleden tijd meervoud — verongeluktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verongeluk | verongelukte |
| jij | verongelukt | verongelukte |
| hij, zij, het | verongelukt | verongelukte |
| wij | verongelukken | verongelukten |
| jullie | verongelukken | verongelukten |
| zij | verongelukken | verongelukten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verongelukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verongelukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verongelukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verongelukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verongelukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verongelukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verongelukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verongelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verongelukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verongelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verongelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verongelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verongelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verongelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verongelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verongelukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verongelukken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verongelukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verongeluk | gebiedende wijs |
| verongelukke | aanvoegende wijs |
| verongelukkend | onvoltooid, deelwoord |
| verongelukt | verleden tijd, deelwoord |
| verongelukt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verongelukt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verongelukte | verleden tijd |
| zal verongelukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verongelukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verongelukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verongelukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verongelukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verongelukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou verongelukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verongelukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verongelukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verongelukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verongelukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verongelukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verongelukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verongelukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verongelukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verongelukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verongelukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verongelukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verongelukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verongelukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verongelukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verongelukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verongelukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verongelukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verongelukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verongelukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verongelukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verongelukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verongelukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van ongeluk met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van verongelukken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verongeluk | gebiedende wijs | verongelukken |
| verongelukke | aanvoegende wijs | verongelukken |
| verongelukkend | onvoltooid deelwoord | verongelukken |
| verongelukkende | woordvorm | verongelukken |
| verongelukt | voltooid deelwoord | verongelukken |
| verongelukte | verleden tijd | verongelukken |
| verongelukten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verongelukken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verongelukken zijn vastgelegd.