zinken
werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord ˈzɪŋkə(n)Betekenis
- in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
- van zink vervaardigd
Hoe spreek je zinken uit?
/ˈzɪŋkən/
Zinken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zinken
zinkenhele werkwoord — zonkverleden tijd enkelvoud — zonkenverleden tijd meervoud — gezonkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zink | zonk |
| jij | zinkt | zonk |
| hij, zij, het | zinkt | zonk |
| wij | zinken | zonken |
| jullie | zinken | zonken |
| zij | zinken | zonken |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezonken | verleden tijd, deelwoord |
| gezonken te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezonken zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn gezonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zinken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gezonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gezonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zink | gebiedende wijs |
| zinke | aanvoegende wijs |
| zinkend | onvoltooid, deelwoord |
| zonk | verleden tijd |
| zou gezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zink
Herkomst
In de betekenis van ‘(weg)zakken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1260
Woordfamilie van zinken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zinke | aanvoegende wijs | zinken |
| zinkend | onvoltooid deelwoord | zinken |
| zinkende | woordvorm | zinken |
| zinkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zinken |
| zonk | verleden tijd | zinken |
| zonken | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zinken |
| zonkt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | zinken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zinken zijn vastgelegd.