verlopen
werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord vərˈlopə(n)Betekenis
- zijn geldigheid verliezen
- een neergaande lijn vertonen
- van maat veranderen
- weggelopen
- voorbij gaan
- niet meer geldig of niet meer van toepassing
- in een vervallen toestand verkeren
Hoe spreek je verlopen uit?
/vərˈlopən/
Verlopen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| l | land |
| o | boot |
| p | pak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- veranderen van de ene naar de andere toestand
Vervoeging van verlopen
verlopenhele werkwoord — verliepverleden tijd enkelvoud — verliepenverleden tijd meervoud — verlopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verloop | verliep |
| jij | verloopt | verliep |
| hij, zij, het | verloopt | verliep |
| wij | verlopen | verliepen |
| jullie | verlopen | verliepen |
| zij | verlopen | verliepen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verlopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verlopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verliep | verleden tijd |
| verloop | gebiedende wijs |
| verlope | aanvoegende wijs |
| verlopen | verleden tijd, deelwoord |
| verlopen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verlopen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verlopend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verlopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verlopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verlopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verlopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verlopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verlopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verlopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verlopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verlopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verlopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verlopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verlopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verlopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verlopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verlopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verlopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verlopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verlopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verlopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verlopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verlopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verlopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van verlopen
Vervoeging van verlopen
verlopenhele werkwoord — verliepverleden tijd enkelvoud — verliepenverleden tijd meervoud — verlopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verloop | verliep |
| jij | verloopt | verliep |
| hij, zij, het | verloopt | verliep |
| wij | verlopen | verliepen |
| jullie | verlopen | verliepen |
| zij | verlopen | verliepen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verlopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verlopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verliep | verleden tijd |
| verloop | gebiedende wijs |
| verlope | aanvoegende wijs |
| verlopen | verleden tijd, deelwoord |
| verlopen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verlopen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verlopend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verlopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verlopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verlopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verlopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verlopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verlopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verlopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verlopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verlopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verlopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verlopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verlopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verlopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verlopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verlopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verlopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verlopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verlopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verlopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verlopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verlopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verlopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verlopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verlopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord verloop
Herkomst
afgeleid van lopen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verliep | verleden tijd | verlopen |
| verliepen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verlopen |
| verloopen | woordvorm | verlopen |
| verloopt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verlopen |
| verlope | aanvoegende wijs | verlopen |
| verlopend | onvoltooid deelwoord | verlopen |
| verlopende | woordvorm | verlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verlopen zijn vastgelegd.