Naar de inhoud

verlopen

zijn geldigheid verliezen

verlopen is meer dan één woord

verlopen

werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord vərˈlopə(n)

Betekenis

  1. zijn geldigheid verliezen
  2. een neergaande lijn vertonen
  3. van maat veranderen
  4. weggelopen
  5. voorbij gaan
  6. niet meer geldig of niet meer van toepassing
  7. in een vervallen toestand verkeren

Hoe spreek je verlopen uit?

/vərˈlopən/

Verlopen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /vərˈlopən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ə de
r rood
l land
o boot
p pak
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. veranderen van de ene naar de andere toestand

Vervoeging van verlopen

verlopenhele werkwoord — verliepverleden tijd enkelvoud — verliepenverleden tijd meervoud — verlopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verloop verliep
jij verloopt verliep
hij, zij, het verloopt verliep
wij verlopen verliepen
jullie verlopen verliepen
zij verlopen verliepen
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te verlopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn verlopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verliep verleden tijd
verloop gebiedende wijs
verlope aanvoegende wijs
verlopen verleden tijd, deelwoord
verlopen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verlopen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verlopend onvoltooid, deelwoord
waart verlopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verlopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verlopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verlopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verlopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verlopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verlopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal verlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal verlopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verlopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verlopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn verlopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou verlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden verlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt verlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt verlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen verlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen verlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen verlopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verlopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verlopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult verlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult verlopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van verlopen

Vervoeging van verlopen

verlopenhele werkwoord — verliepverleden tijd enkelvoud — verliepenverleden tijd meervoud — verlopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verloop verliep
jij verloopt verliep
hij, zij, het verloopt verliep
wij verlopen verliepen
jullie verlopen verliepen
zij verlopen verliepen
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te verlopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn verlopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verliep verleden tijd
verloop gebiedende wijs
verlope aanvoegende wijs
verlopen verleden tijd, deelwoord
verlopen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verlopen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verlopend onvoltooid, deelwoord
waart verlopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verlopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verlopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verlopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verlopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verlopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verlopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal verlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal verlopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verlopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verlopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn verlopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verlopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou verlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden verlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt verlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt verlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen verlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen verlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen verlopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verlopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verlopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult verlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult verlopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord verloop

Herkomst

afgeleid van lopen met het voorvoegsel ver-

Woordfamilie van verlopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
verliep verleden tijd verlopen
verliepen aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verlopen
verloopen woordvorm verlopen
verloopt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon verlopen
verlope aanvoegende wijs verlopen
verlopend onvoltooid deelwoord verlopen
verlopende woordvorm verlopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verlopen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over verlopen

Hoe spreek je verlopen uit?
De uitspraak van verlopen is: /vərˈlopə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent verlopen?
Verlopen is een werkwoord. Het woord betekent: zijn geldigheid verliezen. Deze pagina beschrijft 8 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je verlopen?
Je vervoegt verlopen als volgt: de tegenwoordige tijd is verloop, de verleden tijd is verliep en het voltooid deelwoord is verlopen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op verlopen?

Verlopen rijmt op 35 woorden op -open; lopen, verkopen en kopen bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op verlopen, uitspraak vərˈlopən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
lopen 2
verkopen 3
kopen 2
hopen 2
open 2
afgelopen 4
bekopen 3
slopen 2
overlopen 4
doorverkopen 4
tropen 2
ontlopen 3
nopen 2
onderlopen 4
hordelopen 4
bloeddoorlopen 4
overkopen 4
aangelopen 4
aangeslopen 4
boerenknopen 4
doorgelopen 4
geboortehoroscopen 7
gelopen 3
gesnopen 3
kinetoscopen 5
langeafstandslopen 6
mierenhopen 4
ontdopen 3
opgelopen 4
seismoscopen 4
seksbioscopen 5
stukgelopen 4
verzopen 3
weversknopen 4
zopen 2

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verlopen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. L 3
  5. O 1
  6. P 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verlopen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. L 3
  5. O 1
  6. P 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verlopen in het kort

verlopen is zowel werkwoord, bijvoeglijk naamwoord als zelfstandig naamwoord. Welke betekenis geldt, blijkt uit de zin waarin het staat. Hierboven staan 8 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van verlopen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort verlopen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

verlopen: zijn geldigheid verliezen
Deel verlopen — standaardnederlands.nl