ontgaan
werkwoord ɔntˈxanBetekenis
- aan de aandacht ontsnappen
Hoe spreek je ontgaan uit?
/ɔntˈxan/
Ontgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| x | acht |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontgaan
ontgaanhele werkwoord — ontgingverleden tijd enkelvoud — ontgingenverleden tijd meervoud — ontgaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontga | ontging |
| jij | ontgaat | ontging |
| hij, zij, het | ontgaat | ontging |
| wij | ontgaan | ontgingen |
| jullie | ontgaan | ontgingen |
| zij | ontgaan | ontgingen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontga | gebiedende wijs |
| ontga | aanvoegende wijs |
| ontgaan | verleden tijd, deelwoord |
| ontgaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontgaand | onvoltooid, deelwoord |
| ontging | verleden tijd |
| te ontgaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontgaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontgaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontgaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontgaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontgaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontgaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontgaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontgaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontgaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van ontgaan
Vervoeging van ontgaan
ontgaanhele werkwoord — ontgingverleden tijd enkelvoud — ontgingenverleden tijd meervoud — ontgaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontga | ontging |
| jij | ontgaat | ontging |
| hij, zij, het | ontgaat | ontging |
| wij | ontgaan | ontgingen |
| jullie | ontgaan | ontgingen |
| zij | ontgaan | ontgingen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontga | gebiedende wijs |
| ontga | aanvoegende wijs |
| ontgaan | verleden tijd, deelwoord |
| ontgaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontgaand | onvoltooid, deelwoord |
| ontging | verleden tijd |
| te ontgaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontgaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontgaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontgaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontgaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontgaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontgaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontgaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontgaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontgaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van gaan met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontgaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontga | gebiedende wijs | ontgaan |
| ontgaand | onvoltooid deelwoord | ontgaan |
| ontgaande | woordvorm | ontgaan |
| ontgaat | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontgaan |
| ontging | verleden tijd | ontgaan |
| ontgingen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontgaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontgaan zijn vastgelegd.