weerstaan
werkwoord werˈstanBetekenis
- stand houden, weerstand bieden aan
Hoe spreek je weerstaan uit?
/werˈstan/
Weerstaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| e | veel |
| r | rood |
| s | sok |
| t | tak |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van weerstaan
weerstaanhele werkwoord — weerstondverleden tijd enkelvoud — weerstondenverleden tijd meervoud — weerstaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weersta | weerstond |
| jij | weerstaat | weerstond |
| hij, zij, het | weerstaat | weerstond |
| wij | weerstaan | weerstonden |
| jullie | weerstaan | weerstonden |
| zij | weerstaan | weerstonden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is weerstaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was weerstaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd weerstaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt weerstaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal weerstaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal weerstaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou weerstaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou weerstaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had weerstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had weerstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had weerstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden weerstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden weerstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden weerstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt weerstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weerstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben weerstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te weerstaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen weerstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart weerstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weerstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren weerstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weerstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weerstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was weerstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was weerstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weersta | gebiedende wijs |
| weersta | aanvoegende wijs |
| weerstaan | verleden tijd, deelwoord |
| weerstaan te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weerstaan te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weerstaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weerstaan te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weerstaan te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weerstaan worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weerstaan zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weerstaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weerstaan zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weerstaan zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weerstaand | onvoltooid, deelwoord |
| weerstond | verleden tijd |
| werd weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal weerstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weerstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weerstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal weerstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weerstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou weerstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weerstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weerstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weerstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weerstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weerstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden weerstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weerstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weerstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weerstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weerstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weerstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt weerstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weerstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen weerstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen weerstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weerstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weerstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weerstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weerstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weerstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult weerstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weerstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van weerstaan
Vervoeging van weerstaan
weerstaanhele werkwoord — weerstondverleden tijd enkelvoud — weerstondenverleden tijd meervoud — weerstaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weersta | weerstond |
| jij | weerstaat | weerstond |
| hij, zij, het | weerstaat | weerstond |
| wij | weerstaan | weerstonden |
| jullie | weerstaan | weerstonden |
| zij | weerstaan | weerstonden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is weerstaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was weerstaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd weerstaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt weerstaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal weerstaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal weerstaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou weerstaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou weerstaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had weerstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had weerstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had weerstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden weerstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden weerstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden weerstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt weerstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weerstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben weerstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te weerstaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen weerstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart weerstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weerstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren weerstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weerstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weerstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was weerstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was weerstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weersta | gebiedende wijs |
| weersta | aanvoegende wijs |
| weerstaan | verleden tijd, deelwoord |
| weerstaan te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weerstaan te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weerstaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weerstaan te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weerstaan te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weerstaan worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weerstaan zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weerstaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weerstaan zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weerstaan zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weerstaand | onvoltooid, deelwoord |
| weerstond | verleden tijd |
| werd weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt weerstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal weerstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weerstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weerstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal weerstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weerstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt weerstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou weerstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weerstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weerstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weerstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weerstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weerstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden weerstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weerstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weerstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weerstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weerstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weerstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt weerstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weerstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen weerstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen weerstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weerstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weerstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weerstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weerstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weerstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult weerstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult weerstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weerstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weerstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van weer bw en staan
Woordfamilie van weerstaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| weersta | gebiedende wijs | weerstaan |
| weerstaand | onvoltooid deelwoord | weerstaan |
| weerstaande | woordvorm | weerstaan |
| weerstaat | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | weerstaan |
| weerstane | woordvorm | weerstaan |
| weerstond | verleden tijd | weerstaan |
| weerstonden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | weerstaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weerstaan zijn vastgelegd.