Naar de inhoud

optrekken

door trekken iets naar boven halen

optrekken is meer dan één woord

optrekken

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɔptrɛkə(n)

Betekenis

  1. door trekken iets naar boven halen
  2. zich naar een bepaald doel toe bewegen, meestal ten aanval
  3. op snelheid komen
  4. verdwijnen of omhoog gaan
  5. iets opbouwen
  6. vloeistof vanuit een voorraadglas of -pot in een injectiespuit of pipet brengen
  7. samen met anderen reizen

Hoe spreek je optrekken uit?

/ˈɔptrɛkən/

Optrekken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔptrɛkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
t tak
r rood
ɛ bed
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. een oefening voor het bovenlichaam waarbij je je omhoog trekt aan een stang

Vervoeging van optrekken

optrekkenhele werkwoord — trok opverleden tijd enkelvoud — trokken opverleden tijd meervoud — opgetrokkenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik trek op trok op
jij trekt op trok op
hij, zij, het trekt op trok op
wij trekken op trokken op
jullie trekken op trokken op
zij trekken op trokken op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgetrokken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgetrokken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgetrokken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgetrokken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgetrokken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgetrokken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgetrokken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgetrokken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgetrokken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgetrokken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgetrokken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgetrokken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgetrokken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te trekken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen trekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal trekken bijzin, toekomende tijd
op zou trekken bijzin, voorwaardelijk
op zouden trekken bijzin, voorwaardelijk
op zoudt trekken bijzin, voorwaardelijk
op zullen trekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen trekken bijzin, toekomende tijd
op zult trekken bijzin, toekomende tijd
opgetrokken verleden tijd, deelwoord
opgetrokken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgetrokken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgetrokken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgetrokken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgetrokken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgetrokken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgetrokken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgetrokken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgetrokken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgetrokken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
optrek bijzin, tegenwoordige tijd
optrekkend onvoltooid, deelwoord
optrekt bijzin, tegenwoordige tijd
optrok bijzin, verleden tijd
optrokken bijzin, verleden tijd
te hebben opgetrokken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen optrekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
trek op gebiedende wijs
trok op verleden tijd
waart opgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgetrokken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgetrokken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgetrokken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgetrokken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgetrokken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgetrokken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal optrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal optrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal optrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal optrekken bijzin, toekomende tijd
zijn opgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou optrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou optrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou optrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou optrekken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) optrekken op zou(dt) trekken bijzin, voorwaardelijk
zouden opgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden optrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden optrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden optrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden optrekken bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt optrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt optrekken bijzin, voorwaardelijk
zullen opgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgetrokken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgetrokken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgetrokken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen optrekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen optrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen optrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen optrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen optrekken bijzin, toekomende tijd
zult opgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord optrek

Herkomst

samenstelling van op bw en trekken ww

Woordfamilie van optrekken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgetrokken voltooid deelwoord optrekken
optrekke with-subordinate-clause optrekken
optrekkend onvoltooid deelwoord optrekken
optrekkende woordvorm optrekken
optrekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd optrekken
optrok subordinate-clause, verleden tijd optrekken
optrokken subordinate-clause, verleden tijd optrekken
trek op gebiedende wijs optrekken
trekke op woordvorm optrekken
trekt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon optrekken
trok op verleden tijd optrekken
trokken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon optrekken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van optrekken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over optrekken

Hoe spreek je optrekken uit?
De uitspraak van optrekken is: /ˈɔptrɛkə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent optrekken?
Optrekken is een werkwoord. Het woord betekent: door trekken iets naar boven halen. Deze pagina beschrijft 8 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je optrekken?
Je vervoegt optrekken als volgt: het voltooid deelwoord is opgetrokken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord optrekken is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. T 2
  4. R 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

optrekken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. T 2
  4. R 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

optrekken in het kort

optrekken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 8 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van optrekken zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort optrekken bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

optrekken: door trekken iets naar boven halen
Deel optrekken — standaardnederlands.nl