Naar de inhoud

volstaan

voldoende zijn

volstaan

werkwoord /vɔl.ˈstan/

Betekenis

  1. voldoende zijn
  2. besluiten dat iets voldoende moet zijn
  3. vol staan

Hoe spreek je volstaan uit?

/vɔlˈstan/

Volstaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /vɔlˈstan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ɔ bot
l land
s sok
t tak
a maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. : voldoende zijn absolute
  2. : besluiten dat iets voldoende moet zijn unergative

Vervoeging van volstaan

volstaanhele werkwoord — stond volverleden tijd enkelvoud — stonden volverleden tijd meervoud — volgestaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sta vol stond vol
jij staat vol stond vol
hij, zij, het staat vol stond vol
wij staan vol stonden vol
jullie staan vol stonden vol
zij staan vol stonden vol
Alle 124 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had volgestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had volgestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had volgestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
had volstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had volstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had volstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden volgestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden volgestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden volgestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden volstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden volstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden volstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt volgestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt volstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben volgestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben volstaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sta vol gebiedende wijs
te hebben volgestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben volstaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te volstaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen volstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vol te staan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vol te zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vol zal staan bijzin, toekomende tijd
vol zou staan bijzin, voorwaardelijk
vol zouden staan bijzin, voorwaardelijk
vol zoudt staan bijzin, voorwaardelijk
vol zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vol zullen staan bijzin, toekomende tijd
vol zult staan bijzin, toekomende tijd
volgestaan verleden tijd, deelwoord
volgestaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
volgestaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
volsta gebiedende wijs
volsta aanvoegende wijs
volsta bijzin, tegenwoordige tijd
volstaan verleden tijd, deelwoord
volstaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
volstaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
volstaand onvoltooid, deelwoord
volstaat bijzin, tegenwoordige tijd
volstond verleden tijd
volstond bijzin, verleden tijd
volstonden bijzin, verleden tijd
zal volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal volstaan bijzin, toekomende tijd
zal volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou volstaan bijzin, voorwaardelijk
zou volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) volstaan vol zou(dt) staan bijzin, voorwaardelijk
zouden volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden volstaan bijzin, voorwaardelijk
zouden volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt volstaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen volstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen volstaan bijzin, toekomende tijd
zullen volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult volstaan bijzin, toekomende tijd
zult volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal volstaan vol zult/zal staan bijzin, toekomende tijd

Vervoeging van volstaan

volstaanhele werkwoord — stond volverleden tijd enkelvoud — stonden volverleden tijd meervoud — volgestaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sta vol stond vol
jij staat vol stond vol
hij, zij, het staat vol stond vol
wij staan vol stonden vol
jullie staan vol stonden vol
zij staan vol stonden vol
Alle 123 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had volgestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had volgestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had volgestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
had volstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had volstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had volstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden volgestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden volgestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden volgestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden volstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden volstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden volstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt volgestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt volstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben volgestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben volstaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sta vol gebiedende wijs
stond vol verleden tijd
te hebben volgestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben volstaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te volstaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen volstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vol te staan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vol te zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vol zal staan bijzin, toekomende tijd
vol zou staan bijzin, voorwaardelijk
vol zouden staan bijzin, voorwaardelijk
vol zoudt staan bijzin, voorwaardelijk
vol zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vol zullen staan bijzin, toekomende tijd
vol zult staan bijzin, toekomende tijd
volgestaan verleden tijd, deelwoord
volgestaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
volgestaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
volsta gebiedende wijs
volsta aanvoegende wijs
volsta bijzin, tegenwoordige tijd
volstaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
volstaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
volstaand onvoltooid, deelwoord
volstaat bijzin, tegenwoordige tijd
volstond bijzin, verleden tijd
volstonden bijzin, verleden tijd
zal volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal volstaan bijzin, toekomende tijd
zal volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou volstaan bijzin, voorwaardelijk
zou volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) volstaan vol zou(dt) staan bijzin, voorwaardelijk
zouden volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden volstaan bijzin, voorwaardelijk
zouden volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt volstaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen volstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen volstaan bijzin, toekomende tijd
zullen volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult volstaan bijzin, toekomende tijd
zult volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal volstaan vol zult/zal staan bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van volstaan

Vervoeging van volstaan

volstaanhele werkwoord — stond volverleden tijd enkelvoud — stonden volverleden tijd meervoud — volgestaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sta vol stond vol
jij staat vol stond vol
hij, zij, het staat vol stond vol
wij staan vol stonden vol
jullie staan vol stonden vol
zij staan vol stonden vol
Alle 123 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had volgestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had volgestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had volgestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
had volstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had volstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had volstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden volgestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden volgestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden volgestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden volstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden volstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden volstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt volgestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt volstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben volgestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben volstaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft volgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft volstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sta vol gebiedende wijs
stond vol verleden tijd
te hebben volgestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben volstaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te volstaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen volstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vol te staan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vol te zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vol zal staan bijzin, toekomende tijd
vol zou staan bijzin, voorwaardelijk
vol zouden staan bijzin, voorwaardelijk
vol zoudt staan bijzin, voorwaardelijk
vol zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vol zullen staan bijzin, toekomende tijd
vol zult staan bijzin, toekomende tijd
volgestaan verleden tijd, deelwoord
volgestaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
volgestaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
volsta gebiedende wijs
volsta aanvoegende wijs
volsta bijzin, tegenwoordige tijd
volstaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
volstaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
volstaand onvoltooid, deelwoord
volstaat bijzin, tegenwoordige tijd
volstond bijzin, verleden tijd
volstonden bijzin, verleden tijd
zal volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal volstaan bijzin, toekomende tijd
zal volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou volstaan bijzin, voorwaardelijk
zou volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) volstaan vol zou(dt) staan bijzin, voorwaardelijk
zouden volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden volstaan bijzin, voorwaardelijk
zouden volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt volgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt volstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt volstaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt volstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen volstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen volstaan bijzin, toekomende tijd
zullen volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult volgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult volstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult volstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult volstaan bijzin, toekomende tijd
zult volstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal volstaan vol zult/zal staan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

In de betekenis van ‘volharden, voldoende zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1291

Woordfamilie van volstaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
sta vol gebiedende wijs volstaan
staan vol aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon volstaan
staat vol aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon volstaan
stond vol aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon volstaan
stonden vol aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon volstaan
volgestaan voltooid deelwoord volstaan
volsta subordinate-clause, tegenwoordige tijd volstaan
volstaand onvoltooid deelwoord volstaan
volstaande woordvorm volstaan
volstaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd volstaan
volstond verleden tijd volstaan
volstonden subordinate-clause, verleden tijd volstaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van volstaan zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over volstaan

Hoe spreek je volstaan uit?
De uitspraak van volstaan is: /vɔl.ˈstan/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent volstaan?
Volstaan is een werkwoord. Het woord betekent: voldoende zijn. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je volstaan?
Je vervoegt volstaan als volgt: de tegenwoordige tijd is volsta, de verleden tijd is volstond en het voltooid deelwoord is volgestaan. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op volstaan?

Op volstaan rijmen 230 woorden, onder andere maan, banaan en italiaan. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op volstaan, uitspraak vɔlˈstan, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
maan 1
banaan 2
italiaan 4
baan 1
haan 1
zwaan 1
baviaan 3
gaan 1
arubaan 3
pelikaan 3
braziliaan 4
afrikaan 3
amerikaan 4
bakbanaan 3
bestaan 2
europeaan 4
cyaan 2
bonairiaan 4
kapelaan 3
colombiaan 4
begaan 2
ondergaan 3
leguaan 3
aan 1
aangedaan 3
graan 1
verslaan 2
verstaan 2
traan 1
beslaan 2
mediaan 3
saffraan 2
vooraan 2
slaan 1
laan 1
ontslaan 2
achteraan 3
staan 1
kraan 1
eraan 2
Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 230 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord volstaan is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. L 3
  4. S 2
  5. T 2
  6. A 1
  7. A 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

volstaan levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. L 3
  4. S 2
  5. T 2
  6. A 1
  7. A 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

volstaan in het kort

volstaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van volstaan zijn 63 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort volstaan bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

volstaan: voldoende zijn
Deel volstaan — standaardnederlands.nl