overgaan
werkwoord ˈovərˌɣanBetekenis
- van de ene toestand in de andere veranderen
- iets anders gaan gebruiken
- veranderen in
- van eigenaar veranderen
- op school naar een hogere klas gaan
- minder worden en uiteindelijk weggaan
- eroverheen gaan
- een belsignaal laten klinken
Hoe spreek je overgaan uit?
/ˈovərˌxan/
Overgaan bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van overgaan
overgaanhele werkwoord — ging oververleden tijd enkelvoud — gingen oververleden tijd meervoud — overgegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga over | ging over |
| jij | gaat over | ging over |
| hij, zij, het | gaat over | ging over |
| wij | gaan over | gingen over |
| jullie | gaan over | gingen over |
| zij | gaan over | gingen over |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben overgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent overgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga over | gebiedende wijs |
| ging over | verleden tijd |
| is overgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| over te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| over te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| over zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| over zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| over zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| over zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| over zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| over zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| over zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| overga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overgaand | onvoltooid, deelwoord |
| overgaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overgegaan | verleden tijd, deelwoord |
| overgegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overging | bijzin, verleden tijd |
| overgingen | bijzin, verleden tijd |
| overgingt | bijzin, verleden tijd |
| te zijn overgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart overgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal overgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal overgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal overgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn overgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn overgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn overgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn overgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt overgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou overgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou overgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou overgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) overgaan over zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden overgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden overgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden overgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt overgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt overgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt overgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen overgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen overgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen overgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult overgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult overgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult overgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal overgaan over zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van over en gaan
Woordfamilie van overgaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga over | gebiedende wijs | overgaan |
| gaan over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | overgaan |
| gaat over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | overgaan |
| ging over | verleden tijd | overgaan |
| gingen over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | overgaan |
| overga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | overgaan |
| overgaand | onvoltooid deelwoord | overgaan |
| overgaande | woordvorm | overgaan |
| overgaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | overgaan |
| overgegaan | voltooid deelwoord | overgaan |
| overging | subordinate-clause, verleden tijd | overgaan |
| overgingen | subordinate-clause, verleden tijd | overgaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overgaan zijn vastgelegd.