vervliegen
werkwoordBetekenis
- in damp opgaan, snel verdwijnen.
Vervoeging van vervliegen
vervliegenhele werkwoord — vervloogverleden tijd enkelvoud — vervlogenverleden tijd meervoud — vervlogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vervlieg | vervloog |
| jij | vervliegt | vervloog |
| hij, zij, het | vervliegt | vervloog |
| wij | vervliegen | vervlogen |
| jullie | vervliegen | vervlogen |
| zij | vervliegen | vervlogen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had vervlogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vervlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vervlogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vervlogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vervlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vervlogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vervlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vervlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vervlogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vervlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vervlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vervlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vervlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vervlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vervlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vervlogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vervliegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vervliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervlieg | gebiedende wijs |
| vervliege | aanvoegende wijs |
| vervliegend | onvoltooid, deelwoord |
| vervlogen | verleden tijd, deelwoord |
| vervlogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervlogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vervloog | verleden tijd |
| zal vervliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vervliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vervliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vervlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vervlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vervlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou vervliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vervliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vervliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vervlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vervlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vervlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vervliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vervliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vervliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vervlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vervlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vervlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt vervliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vervlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen vervliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vervliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vervliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vervliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vervlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vervlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vervlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult vervliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vervlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van vliegen met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van vervliegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vervlieg | gebiedende wijs | vervliegen |
| vervliege | aanvoegende wijs | vervliegen |
| vervliegend | onvoltooid deelwoord | vervliegen |
| vervliegende | woordvorm | vervliegen |
| vervliegt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vervliegen |
| vervloog | verleden tijd | vervliegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vervliegen zijn vastgelegd.