verdergaan
werkwoord ˈvɛrdərˌɣanBetekenis
- ~ met: iets voortzetten
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je verdergaan uit?
/ˈvɛrdərˌxan/
Verdergaan bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| d | dak |
| ə | de |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van verdergaan
verdergaanhele werkwoord — ging verderverleden tijd enkelvoud — gingen verderverleden tijd meervoud — verdergegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga verder | ging verder |
| jij | gaat verder | ging verder |
| hij, zij, het | gaat verder | ging verder |
| wij | gaan verder | gingen verder |
| jullie | gaan verder | gingen verder |
| zij | gaan verder | gingen verder |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verdergegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verdergegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga verder | gebiedende wijs |
| ging verder | verleden tijd |
| is verdergegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verdergegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn verdergegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verdergaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verder te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verder te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verder zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| verder zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| verder zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| verder zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| verder zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verder zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| verder zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| verderga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| verdergaand | onvoltooid, deelwoord |
| verdergaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| verdergegaan | verleden tijd, deelwoord |
| verdergegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdergegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verderging | bijzin, verleden tijd |
| verdergingen | bijzin, verleden tijd |
| verdergingt | bijzin, verleden tijd |
| waart verdergegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdergegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verdergegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdergegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verdergegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verdergegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verdergegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verdergaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verdergaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verdergaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verdergaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal verdergegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdergegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verdergegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verdergegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verdergegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verdergegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verdergegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verdergegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verdergaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verdergaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verdergaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verdergaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou verdergegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdergegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdergegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) verdergaan verder zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden verdergaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdergaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdergaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verdergaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden verdergegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdergegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdergegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verdergaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verdergaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt verdergegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verdergaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verdergaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verdergaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verdergaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verdergaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen verdergegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verdergegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verdergegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verdergaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verdergaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult verdergegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal verdergaan verder zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van verder en gaan
Woordfamilie van verdergaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga verder | gebiedende wijs | verdergaan |
| gaan verder | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | verdergaan |
| gaat verder | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verdergaan |
| ging verder | verleden tijd | verdergaan |
| gingen verder | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verdergaan |
| verderga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | verdergaan |
| verdergaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | verdergaan |
| verdergegaan | voltooid deelwoord | verdergaan |
| verderging | subordinate-clause, verleden tijd | verdergaan |
| verdergingen | subordinate-clause, verleden tijd | verdergaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verdergaan zijn vastgelegd.