ontstaan
werkwoord, bijvoeglijk naamwoord ɔntˈstanBetekenis
- de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
- die zich ontwikkeld heeft
Hoe spreek je ontstaan uit?
/ɔntˈstan/
Ontstaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| s | sok |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontstaan
ontstaanhele werkwoord — ontstondverleden tijd enkelvoud — ontstondenverleden tijd meervoud — ontstaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontsta | ontstond |
| jij | ontstaat | ontstond |
| hij, zij, het | ontstaat | ontstond |
| wij | ontstaan | ontstonden |
| jullie | ontstaan | ontstonden |
| zij | ontstaan | ontstonden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontsta | gebiedende wijs |
| ontsta | aanvoegende wijs |
| ontstaan | verleden tijd, deelwoord |
| ontstaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontstaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontstaand | onvoltooid, deelwoord |
| ontstond | verleden tijd |
| te ontstaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van ontstaan
Vervoeging van ontstaan
ontstaanhele werkwoord — ontstondverleden tijd enkelvoud — ontstondenverleden tijd meervoud — ontstaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontsta | ontstond |
| jij | ontstaat | ontstond |
| hij, zij, het | ontstaat | ontstond |
| wij | ontstaan | ontstonden |
| jullie | ontstaan | ontstonden |
| zij | ontstaan | ontstonden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontsta | gebiedende wijs |
| ontsta | aanvoegende wijs |
| ontstaan | verleden tijd, deelwoord |
| ontstaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontstaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontstaand | onvoltooid, deelwoord |
| ontstond | verleden tijd |
| te ontstaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘vorm krijgen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Woordfamilie van ontstaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontsta | gebiedende wijs | ontstaan |
| ontstaand | onvoltooid deelwoord | ontstaan |
| ontstaande | woordvorm | ontstaan |
| ontstaans | woordvorm | ontstaan |
| ontstaat | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontstaan |
| ontstane | woordvorm | ontstaan |
| ontstond | verleden tijd | ontstaan |
| ontstonden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontstaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontstaan zijn vastgelegd.