Naar de inhoud

verstaan

begrijpen van een uiting

verstaan

werkwoord /vər.ˈstaːn/

Betekenis

  1. begrijpen van een uiting
  2. voldoende luid kunnen horen om het te begrijpen

Hoe spreek je verstaan uit?

/vərˈstan/

Verstaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /vərˈstan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ə de
r rood
s sok
t tak
a maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. overgankelijk als definitie gebruiken
  2. wederkerend overleg voeren met

Vervoeging van verstaan

verstaanhele werkwoord — verstondverleden tijd enkelvoud — verstondenverleden tijd meervoud — verstaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik versta verstond
jij verstaat verstond
hij, zij, het verstaat verstond
wij verstaan verstonden
jullie verstaan verstonden
zij verstaan verstonden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verstaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verstaan impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verstaan impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verstaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verstaan worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verstaan zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verstaan worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verstaan zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verstaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verstaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verstaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
versta gebiedende wijs
versta aanvoegende wijs
verstaan verleden tijd, deelwoord
verstaan te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verstaan te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verstaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verstaan te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verstaan te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verstaan worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verstaan zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verstaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verstaan zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verstaan zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verstaand onvoltooid, deelwoord
verstond verleden tijd
waart verstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verstaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verstaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verstaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verstaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verstaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verstaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verstaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verstaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verstaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verstaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verstaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verstaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verstaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal verstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal verstaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verstaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verstaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verstaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou verstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verstaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verstaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verstaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden verstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verstaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verstaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verstaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt verstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt verstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verstaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen verstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen verstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen verstaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verstaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verstaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verstaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verstaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult verstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult verstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verstaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van verstaan

Vervoeging van verstaan

verstaanhele werkwoord — verstondverleden tijd enkelvoud — verstondenverleden tijd meervoud — verstaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik versta verstond
jij verstaat verstond
hij, zij, het verstaat verstond
wij verstaan verstonden
jullie verstaan verstonden
zij verstaan verstonden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verstaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verstaan impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verstaan impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verstaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verstaan worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verstaan zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verstaan worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verstaan zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verstaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verstaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verstaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
versta gebiedende wijs
versta aanvoegende wijs
verstaan verleden tijd, deelwoord
verstaan te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verstaan te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verstaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verstaan te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verstaan te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verstaan worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verstaan zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verstaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verstaan zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verstaan zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verstaand onvoltooid, deelwoord
verstond verleden tijd
waart verstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verstaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verstaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verstaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verstaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verstaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verstaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verstaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verstaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verstaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verstaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verstaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verstaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verstaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal verstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal verstaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verstaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verstaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verstaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou verstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verstaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verstaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verstaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden verstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verstaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verstaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verstaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt verstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt verstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verstaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen verstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen verstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen verstaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verstaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verstaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verstaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verstaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult verstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult verstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verstaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verstaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘horen, begrijpen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200

Woordfamilie van verstaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
versta gebiedende wijs verstaan
verstaand onvoltooid deelwoord verstaan
verstaande woordvorm verstaan
verstaat aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon verstaan
verstane woordvorm verstaan
verstond verleden tijd verstaan
verstonden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verstaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verstaan zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over verstaan

Hoe spreek ik verstaan uit?
Zo spreek je verstaan uit: /vər.ˈstaːn/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van verstaan?
Verstaan is een werkwoord. De betekenis is: begrijpen van een uiting. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik verstaan?
Zo vervoeg je verstaan zo: de tegenwoordige tijd is versta, de verleden tijd is verstond en het voltooid deelwoord is verstaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op verstaan?

In dit woordenboek rijmen 230 woorden op -aan op verstaan, zoals maan, banaan en italiaan. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op verstaan, uitspraak vərˈstan, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
maan 1
banaan 2
italiaan 4
baan 1
haan 1
zwaan 1
baviaan 3
gaan 1
arubaan 3
pelikaan 3
braziliaan 4
afrikaan 3
amerikaan 4
bakbanaan 3
bestaan 2
europeaan 4
cyaan 2
bonairiaan 4
kapelaan 3
colombiaan 4
begaan 2
ondergaan 3
leguaan 3
aan 1
aangedaan 3
graan 1
verslaan 2
traan 1
beslaan 2
mediaan 3
saffraan 2
vooraan 2
slaan 1
laan 1
ontslaan 2
achteraan 3
staan 1
kraan 1
eraan 2
waaraan 2
Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 230 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verstaan is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. A 1
  7. A 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verstaan levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. A 1
  7. A 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verstaan in het kort

verstaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van verstaan staan er 73 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort verstaan bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

verstaan: begrijpen van een uiting
Deel verstaan — standaardnederlands.nl