verstaan
werkwoord /vər.ˈstaːn/Betekenis
- begrijpen van een uiting
- voldoende luid kunnen horen om het te begrijpen
Hoe spreek je verstaan uit?
/vərˈstan/
Verstaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| s | sok |
| t | tak |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- overgankelijk als definitie gebruiken
- wederkerend overleg voeren met
Vervoeging van verstaan
verstaanhele werkwoord — verstondverleden tijd enkelvoud — verstondenverleden tijd meervoud — verstaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | versta | verstond |
| jij | verstaat | verstond |
| hij, zij, het | verstaat | verstond |
| wij | verstaan | verstonden |
| jullie | verstaan | verstonden |
| zij | verstaan | verstonden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verstaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verstaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verstaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verstaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verstaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verstaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verstaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verstaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verstaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versta | gebiedende wijs |
| versta | aanvoegende wijs |
| verstaan | verleden tijd, deelwoord |
| verstaan te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verstaan te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verstaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstaan te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstaan te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstaan worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verstaan zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verstaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstaan zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstaan zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstaand | onvoltooid, deelwoord |
| verstond | verleden tijd |
| waart verstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van verstaan
Vervoeging van verstaan
verstaanhele werkwoord — verstondverleden tijd enkelvoud — verstondenverleden tijd meervoud — verstaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | versta | verstond |
| jij | verstaat | verstond |
| hij, zij, het | verstaat | verstond |
| wij | verstaan | verstonden |
| jullie | verstaan | verstonden |
| zij | verstaan | verstonden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verstaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verstaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verstaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verstaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verstaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verstaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verstaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verstaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verstaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versta | gebiedende wijs |
| versta | aanvoegende wijs |
| verstaan | verleden tijd, deelwoord |
| verstaan te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verstaan te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verstaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstaan te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstaan te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstaan worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verstaan zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verstaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstaan zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstaan zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstaand | onvoltooid, deelwoord |
| verstond | verleden tijd |
| waart verstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verstaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verstaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verstaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verstaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verstaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘horen, begrijpen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200
Woordfamilie van verstaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| versta | gebiedende wijs | verstaan |
| verstaand | onvoltooid deelwoord | verstaan |
| verstaande | woordvorm | verstaan |
| verstaat | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verstaan |
| verstane | woordvorm | verstaan |
| verstond | verleden tijd | verstaan |
| verstonden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verstaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verstaan zijn vastgelegd.