kaan
zelfstandig naamwoord, werkwoord kanBetekenis
- knapperig uitgebakken overblijfsel van een stuk(je) varkensspek ook wel uitgebakken speklap, (met of zonder zwoerd)
- een vliezige bovenlaag
- slang
Hoe spreek je kaan uit?
/kan/
Kaan bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- schip of scheepje, bootje, schuitje in het bijzonder van zekere vrachtschepen, varend op de Noordduitse rivieren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kaantje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kaantjes | verkleinwoord, meervoud |
| kanen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kanen
- gebiedende wijs van kanen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kanen
Vervoeging van kaan
kaanhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘stukje uitgebraden spek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1305