traan
zelfstandig naamwoord, werkwoord tranBetekenis
- oogvocht
- traanolie (uit het spek van walvissen, robben...)
Hoe spreek je traan uit?
/tran/
Traan bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| a | maan |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
- geen meervoud olie bereid uit het spek van zeezoogdieren als walvissen en robben
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| traantje | verkleinwoord, enkelvoud |
| traantjes | verkleinwoord, meervoud |
| tranen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tranen
- gebiedende wijs van tranen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tranen
Vervoeging van traan
traanhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands traen van Oudnederlands traan, in de betekenis van ‘oogvocht’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw
Woordfamilie van traan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| traantje | verkleinwoord | traan |
| traantjes | verkleinwoord meervoud | traan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van traan zijn vastgelegd.