haan
zelfstandig naamwoord /ɦan/Betekenis
- mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
- het onderdeel van een vuurwapen dat een slaande beweging maakt als de trekker wordt overgehaald
- ontbering, lijden
- leed, ellende
Hoe spreek je haan uit?
/han/
Haan bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| a | maan |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — masculine
- mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels; vaak wordt het mannetje van het huishoen (Gallus gallus) bedoeld
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| haantje | verkleinwoord, enkelvoud |
| haantjes | verkleinwoord, meervoud |
| hanen | meervoud |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands hane van Oudnederlands hano, in de betekenis van ‘mannetje bij hoenderachtigen’ aangetroffen vanaf 701
Woordfamilie van haan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| haantjes | verkleinwoord meervoud | haan |
| hanen | meervoud | haan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van haan zijn vastgelegd.