decaan
zelfstandig naamwoord de'kanBetekenis
- een verzadigde koolwaterstof met formule C10H22
- het hoofd van een faculteit van een universiteit
- een docent die een adviserende rol heeft ten aanzien van studiekeuzes
Hoe spreek je decaan uit?
/deˈkan/
Decaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| e | veel |
| k | kat |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een verzadigde koolwaterstof met formule C₁₀H₂₂ neuter
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| decaantje | verkleinwoord, enkelvoud |
| decaantjes | verkleinwoord, meervoud |
| decanen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘voorzitter van faculteit’ voor het eerst aangetroffen in 1832
Woordfamilie van decaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| decaantje | verkleinwoord | decaan |
| decaantjes | verkleinwoord meervoud | decaan |
| decanen | meervoud | decaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van decaan zijn vastgelegd.