verstrijken
werkwoordBetekenis
- het verlopen van een tijdslimiet
- voortgaan en verloren gaan van de tijd in het algemeen
Vervoeging van verstrijken
verstrijkenhele werkwoord — verstreekverleden tijd enkelvoud — verstrekenverleden tijd meervoud — verstrekenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verstrijk | verstreek |
| jij | verstrijkt | verstreek |
| hij, zij, het | verstrijkt | verstreek |
| wij | verstrijken | verstreken |
| jullie | verstrijken | verstreken |
| zij | verstrijken | verstreken |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verstreken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verstreken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verstreken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verstreken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verstreken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verstreken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verstreken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verstreken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verstreken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verstreken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verstreken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verstreken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verstreken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verstreken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verstreken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verstreken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verstreken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verstreken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verstreken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verstreken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verstreken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verstreken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verstreken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verstreken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verstreken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verstreken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verstreken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verstreken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verstrijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verstrijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstreek | verleden tijd |
| verstreken | verleden tijd, deelwoord |
| verstreken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verstreken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verstreken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstreken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstreken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstreken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verstreken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verstreken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstreken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstreken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstrijk | gebiedende wijs |
| verstrijke | aanvoegende wijs |
| verstrijkend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verstreken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verstreken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verstreken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verstreken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verstreken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verstreken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verstreken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verstreken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verstreken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verstreken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verstreken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verstreken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verstreken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verstreken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verstreken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verstreken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verstreken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verstreken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verstreken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verstreken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verstreken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstreken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verstreken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verstreken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstreken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verstreken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstreken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verstreken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verstreken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verstreken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verstreken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verstreken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstreken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstreken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verstreken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstreken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verstreken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstreken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstreken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstreken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verstreken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verstreken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verstreken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstreken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verstreken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verstreken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstreken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verstreken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verstreken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verstreken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verstreken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verstreken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verstreken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verstreken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verstreken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verstreken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verstreken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verstreken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verstreken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verstreken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verstreken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verstrijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verstreken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verstreken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verstreken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van strijken met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verstrijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verstreek | verleden tijd | verstrijken |
| verstreken | voltooid deelwoord | verstrijken |
| verstrijk | gebiedende wijs | verstrijken |
| verstrijke | aanvoegende wijs | verstrijken |
| verstrijkend | onvoltooid deelwoord | verstrijken |
| verstrijkende | woordvorm | verstrijken |
| verstrijkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verstrijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verstrijken zijn vastgelegd.