Naar de inhoud

misgaan

dwalen, verkeerd handelen

misgaan

werkwoord mɪsˈxan

Betekenis

  1. dwalen, verkeerd handelen

Hoe spreek je misgaan uit?

/mɪsˈxan/

Misgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /mɪsˈxan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
m maan
ɪ pit
s sok
x acht
a maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. op een verkeerde manier aflopen, faliekant mislukken ergative

Vervoeging van misgaan

misgaanhele werkwoord — ging misverleden tijd enkelvoud — gingen misverleden tijd meervoud — misgegaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ga mis ging mis
jij gaat mis ging mis
hij, zij, het gaat mis ging mis
wij gaan mis gingen mis
jullie gaan mis gingen mis
zij gaan mis gingen mis
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
ben misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
ga mis gebiedende wijs
ging mis verleden tijd
is misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mis te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mis te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mis zal gaan bijzin, toekomende tijd
mis zou gaan bijzin, voorwaardelijk
mis zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
mis zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
mis zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mis zullen gaan bijzin, toekomende tijd
mis zult gaan bijzin, toekomende tijd
misga gebiedende wijs
misga aanvoegende wijs
misga bijzin, tegenwoordige tijd
misgaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
misgaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
misgaand onvoltooid, deelwoord
misgaat bijzin, tegenwoordige tijd
misgegaan verleden tijd, deelwoord
misgegaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
misgegaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
misging bijzin, verleden tijd
misgingen bijzin, verleden tijd
misgingt bijzin, verleden tijd
te misgaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn misgaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn misgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen misgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart misgaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waart misgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren misgaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren misgaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren misgaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren misgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren misgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren misgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was misgaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was misgaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was misgaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was misgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was misgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was misgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal misgaan bijzin, toekomende tijd
zal misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn misgaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijn misgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijt misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou misgaan bijzin, voorwaardelijk
zou misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) misgaan mis zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden misgaan bijzin, voorwaardelijk
zouden misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt misgaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen misgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen misgaan bijzin, toekomende tijd
zullen misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult misgaan bijzin, toekomende tijd
zult misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal misgaan mis zult/zal gaan bijzin, toekomende tijd

Vervoeging van misgaan

misgaanhele werkwoord — ging misverleden tijd enkelvoud — gingen misverleden tijd meervoud — misgaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ga mis ging mis
jij gaat mis ging mis
hij, zij, het gaat mis ging mis
wij gaan mis gingen mis
jullie gaan mis gingen mis
zij gaan mis gingen mis
Alle 127 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
ben misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
ga mis gebiedende wijs
is misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mis te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mis te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mis zal gaan bijzin, toekomende tijd
mis zou gaan bijzin, voorwaardelijk
mis zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
mis zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
mis zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mis zullen gaan bijzin, toekomende tijd
mis zult gaan bijzin, toekomende tijd
misga gebiedende wijs
misga aanvoegende wijs
misga bijzin, tegenwoordige tijd
misgaan verleden tijd, deelwoord
misgaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
misgaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
misgaand onvoltooid, deelwoord
misgaat bijzin, tegenwoordige tijd
misgegaan verleden tijd, deelwoord
misgegaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
misgegaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
misging verleden tijd
misging bijzin, verleden tijd
misgingen bijzin, verleden tijd
misgingt bijzin, verleden tijd
te misgaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn misgaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn misgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen misgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart misgaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waart misgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren misgaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren misgaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren misgaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren misgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren misgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren misgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was misgaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was misgaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was misgaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was misgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was misgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was misgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal misgaan bijzin, toekomende tijd
zal misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn misgaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijn misgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijt misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou misgaan bijzin, voorwaardelijk
zou misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) misgaan mis zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden misgaan bijzin, voorwaardelijk
zouden misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt misgaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen misgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen misgaan bijzin, toekomende tijd
zullen misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult misgaan bijzin, toekomende tijd
zult misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal misgaan mis zult/zal gaan bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van misgaan

Vervoeging van misgaan

misgaanhele werkwoord — ging misverleden tijd enkelvoud — gingen misverleden tijd meervoud — misgaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ga mis ging mis
jij gaat mis ging mis
hij, zij, het gaat mis ging mis
wij gaan mis gingen mis
jullie gaan mis gingen mis
zij gaan mis gingen mis
Alle 127 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
ben misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
ga mis gebiedende wijs
is misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mis te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mis te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mis zal gaan bijzin, toekomende tijd
mis zou gaan bijzin, voorwaardelijk
mis zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
mis zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
mis zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mis zullen gaan bijzin, toekomende tijd
mis zult gaan bijzin, toekomende tijd
misga gebiedende wijs
misga aanvoegende wijs
misga bijzin, tegenwoordige tijd
misgaan verleden tijd, deelwoord
misgaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
misgaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
misgaand onvoltooid, deelwoord
misgaat bijzin, tegenwoordige tijd
misgegaan verleden tijd, deelwoord
misgegaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
misgegaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
misging verleden tijd
misging bijzin, verleden tijd
misgingen bijzin, verleden tijd
misgingt bijzin, verleden tijd
te misgaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn misgaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn misgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen misgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart misgaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waart misgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren misgaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren misgaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren misgaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren misgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren misgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren misgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was misgaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was misgaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was misgaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was misgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was misgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was misgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal misgaan bijzin, toekomende tijd
zal misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn misgaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijn misgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt misgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijt misgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou misgaan bijzin, voorwaardelijk
zou misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) misgaan mis zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden misgaan bijzin, voorwaardelijk
zouden misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt misgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt misgaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt misgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt misgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen misgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen misgaan bijzin, toekomende tijd
zullen misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult misgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult misgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult misgaan bijzin, toekomende tijd
zult misgaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult misgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal misgaan mis zult/zal gaan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mis bn en gaan ww

Woordfamilie van misgaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ga mis gebiedende wijs misgaan
gaan mis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon misgaan
gaat mis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon misgaan
ging mis verleden tijd misgaan
gingen mis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon misgaan
misga subordinate-clause, tegenwoordige tijd misgaan
misgaand onvoltooid deelwoord misgaan
misgaande woordvorm misgaan
misgaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd misgaan
misgegaan voltooid deelwoord misgaan
misging subordinate-clause, verleden tijd misgaan
misgingen subordinate-clause, verleden tijd misgaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van misgaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over misgaan

Hoe spreek je misgaan uit?
De uitspraak van misgaan is: /mɪsˈxan/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent misgaan?
Misgaan is een werkwoord. Het woord betekent: dwalen, verkeerd handelen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je misgaan?
Je vervoegt misgaan als volgt: de tegenwoordige tijd is misga, de verleden tijd is misging en het voltooid deelwoord is misgegaan. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op misgaan?

Misgaan rijmt op 230 woorden op -aan; maan, banaan en italiaan bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op misgaan, uitspraak mɪsˈxan, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
maan 1
banaan 2
italiaan 4
baan 1
haan 1
zwaan 1
baviaan 3
gaan 1
arubaan 3
pelikaan 3
braziliaan 4
afrikaan 3
amerikaan 4
bakbanaan 3
bestaan 2
europeaan 4
cyaan 2
bonairiaan 4
kapelaan 3
colombiaan 4
begaan 2
ondergaan 3
leguaan 3
aan 1
aangedaan 3
graan 1
verslaan 2
verstaan 2
traan 1
beslaan 2
mediaan 3
saffraan 2
vooraan 2
slaan 1
laan 1
ontslaan 2
achteraan 3
staan 1
kraan 1
eraan 2
Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 230 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord misgaan is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. I 1
  3. S 2
  4. G 3
  5. A 1
  6. A 1
  7. N 1
  8. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

misgaan levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 97 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. I 2
  3. S 2
  4. G 3
  5. A 1
  6. A 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 97 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

misgaan telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

misgaan in het kort

misgaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van misgaan zijn 66 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort misgaan bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

misgaan: dwalen, verkeerd handelen
Deel misgaan — standaardnederlands.nl