opengaan
werkwoord ˈopəŋˌɣanBetekenis
- zich openen
Hoe spreek je opengaan uit?
/ˈopəŋˌxan/
Opengaan bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| p | pak |
| ə | de |
| ŋ | ding |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
werkwoord
- in gebruik nemen
Vervoeging van opengaan
opengaanhele werkwoord — ging openverleden tijd enkelvoud — gingen openverleden tijd meervoud — opengegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga open | ging open |
| jij | gaat open | ging open |
| hij, zij, het | gaat open | ging open |
| wij | gaan open | gingen open |
| jullie | gaan open | gingen open |
| zij | gaan open | gingen open |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben opengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga open | gebiedende wijs |
| ging open | verleden tijd |
| is opengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| open te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| open te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| open zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| open zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| open zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| open zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| open zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| open zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| open zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| openga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opengaand | onvoltooid, deelwoord |
| opengaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opengegaan | verleden tijd, deelwoord |
| opengegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opengegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| openging | bijzin, verleden tijd |
| opengingen | bijzin, verleden tijd |
| te zijn opengegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opengaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opengegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opengegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opengegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opengegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opengegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opengegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opengegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal opengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opengaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal opengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opengegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opengaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opengaan open zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opengaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opengaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opengaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opengaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opengaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult opengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal opengaan open zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van open en gaan
Woordfamilie van opengaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga open | gebiedende wijs | opengaan |
| gaan open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opengaan |
| gaat open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opengaan |
| ging open | verleden tijd | opengaan |
| gingen open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opengaan |
| openga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opengaan |
| opengaand | onvoltooid deelwoord | opengaan |
| opengaande | woordvorm | opengaan |
| opengaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opengaan |
| opengegaan | voltooid deelwoord | opengaan |
| openging | subordinate-clause, verleden tijd | opengaan |
| opengingen | subordinate-clause, verleden tijd | opengaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opengaan zijn vastgelegd.