baan
zelfstandig naamwoord, werkwoord /baːn/Betekenis
- het werk, een arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer
- een verkeersweg of weggedeelte, voor rijverkeer of voor het opstijgen en landen van vlieg- en ruimtevaartuigen
- het traject van een projectiel of hemellichaam
- een voor sportwedstrijden geschikt gemaakt, langwerpig en vlak terrein, een rechte of rondgaande weg, of een deel van een vaar- of zwemwater
- strook materiaal als (behang-)papier, vloerbedekking, (textiel-)stof,
- het rechthoekige bovenblad van een aambeeld
- een terrein voor het houden van schietoefeningen
- dat is van de baan: het gaat niet meer door
- iets op de lange baan schuiven: iets uitstellen
- weg, straat.
- spoor, rails.
Hoe spreek je baan uit?
/ban/
Baan bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| a | maan |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een verkeersweg of fysiek afgegrensd weggedeelte, voor rijverkeer of voor het opstijgen en landen van vlieg- en ruimtevaartuigen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| baantje | verkleinwoord, enkelvoud |
| baantjes | verkleinwoord, meervoud |
| banen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich banen
- gebiedende wijs van zich banen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich banen
Vervoeging van baan
baanhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘weg’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1340
Woordfamilie van baan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| baantje | verkleinwoord | baan |
| baantjes | verkleinwoord meervoud | baan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van baan zijn vastgelegd.