aan
voorzetsel, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord anBetekenis
- verbonden met, tegen, tegenaan
- de ontvangende persoon (datief)
- op een bepaalde plaats
- bestaande uit
- verdeeld in, kapot gaan
- aan beide kanten
- aanzetten: jij zet de motor aan.
- actief, in bedrijf
- op
- tegen
Hoe spreek je aan uit?
/an/
Aan bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
voorzetsel
- tegen, voor, à (gevolgd door een prijsindicatie)
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
Herkomst
erfwoord als voorzetsel aangetroffen vanaf 901