gaan
werkwoord ɣanBetekenis
- zich in een bepaalde richting bewegen, meestal van de spreker af
- mogelijk zijn
- vormt een onmiddellijke toekomende tijd
Hoe spreek je gaan uit?
/xan/
Gaan bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
werkwoord
- vormt een toekomende tijd, grotendeels synoniem met zullen auxiliary
Vervoeging van gaan
gaanhele werkwoord — gingverleden tijd enkelvoud — gingenverleden tijd meervoud — gegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga | ging |
| jij | gaat | ging |
| hij, zij, het | gaat | ging |
| wij | gaan | gingen |
| jullie | gaan | gingen |
| zij | gaan | gingen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga | gebiedende wijs |
| ga | aanvoegende wijs |
| gaand | onvoltooid, deelwoord |
| gegaan | verleden tijd, deelwoord |
| gegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ging | verleden tijd |
| is gegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt gaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult gaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
erfwoord in de betekenis van ‘zich voortbewegen’ aangetroffen vanaf 901
Woordfamilie van gaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga | gebiedende wijs | gaan |
| gaat | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gaan |
| gegaan | voltooid deelwoord | gaan |
| gegane | woordvorm | gaan |
| ging | verleden tijd | gaan |
| gingen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gaan |
| gingt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | gaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gaan zijn vastgelegd.