ontslaan
werkwoord ɔntˈslanBetekenis
- (m.b.t. een werknemer) de arbeidsovereenkomst beëindigen van, meestal wegens onbekwaamheid of wangedrag van de werknemer
- (+ van) ontheffen (van), vrijstellen (van): iemand ontslaan van een verplichting
- beëindigen van een ziekenhuisopname
Hoe spreek je ontslaan uit?
/ɔntˈslan/
Ontslaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| s | sok |
| l | land |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- de arbeidsovereenkomst beëindigen van, meestal wegens onbekwaamheid of wangedrag van de werknemer transitive
- ontheffen (van), vrijstellen (van): iemand ontslaan van een verplichting transitive
Vervoeging van ontslaan
ontslaanhele werkwoord — ontsloegverleden tijd enkelvoud — ontsloegenverleden tijd meervoud — ontslagenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontsla | ontsloeg |
| jij | ontslaat | ontsloeg |
| hij, zij, het | ontslaat | ontsloeg |
| wij | ontslaan | ontsloegen |
| jullie | ontslaan | ontsloegen |
| zij | ontslaan | ontsloegen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontslagen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontslagen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontslagen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontslagen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontslagen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontslagen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontslagen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontslagen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontsla | gebiedende wijs |
| ontsla | aanvoegende wijs |
| ontslaand | onvoltooid, deelwoord |
| ontslagen | verleden tijd, deelwoord |
| ontslagen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontslagen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontslagen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontslagen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontslagen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontslagen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontslagen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontslagen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontslagen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontslagen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontsloeg | verleden tijd |
| te hebben ontslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontslaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontslaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontslaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontslaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontslaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontslaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontslaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontslaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontslaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontslaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontslaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontslaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontslaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontslaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontslaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van slaan met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontslaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontsla | gebiedende wijs | ontslaan |
| ontslaand | onvoltooid deelwoord | ontslaan |
| ontslaande | woordvorm | ontslaan |
| ontslaat | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontslaan |
| ontsloeg | verleden tijd | ontslaan |
| ontsloegen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontslaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontslaan zijn vastgelegd.