klaarmaken
werkwoord ˈklarmakə(n)Betekenis
- voorbereiden
- uit ingrediënten klaarmaken
- iemand bevredigen en tot een orgasme brengen
Hoe spreek je klaarmaken uit?
/ˈklarmakən/
Klaarmaken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| a | maan |
| r | rood |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van klaarmaken
klaarmakenhele werkwoord — maakte klaarverleden tijd enkelvoud — maakten klaarverleden tijd meervoud — klaargemaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maak klaar | maakte klaar |
| jij | maakt klaar | maakte klaar |
| hij, zij, het | maakt klaar | maakte klaar |
| wij | maken klaar | maakten klaar |
| jullie | maken klaar | maakten klaar |
| zij | maken klaar | maakten klaar |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben klaargemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent klaargemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is klaargemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was klaargemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd klaargemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt klaargemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal klaargemaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal klaargemaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou klaargemaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou klaargemaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had klaargemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had klaargemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had klaargemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden klaargemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden klaargemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden klaargemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt klaargemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb klaargemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben klaargemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben klaargemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben klaargemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben klaargemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt klaargemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft klaargemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft klaargemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is klaargemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is klaargemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klaar te maken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klaar te zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaar zal maken | bijzin, toekomende tijd |
| klaar zou maken | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zouden maken | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zoudt maken | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaar zullen maken | bijzin, toekomende tijd |
| klaar zult maken | bijzin, toekomende tijd |
| klaargemaakt | verleden tijd, deelwoord |
| klaargemaakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klaargemaakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klaargemaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaargemaakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaargemaakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaargemaakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| klaargemaakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| klaargemaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaargemaakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaargemaakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaarmaak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| klaarmaakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| klaarmaakte | bijzin, verleden tijd |
| klaarmaakten | bijzin, verleden tijd |
| klaarmakend | onvoltooid, deelwoord |
| maak klaar | gebiedende wijs |
| maakte klaar | verleden tijd |
| te hebben klaargemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen klaarmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart klaargemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren klaargemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren klaargemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren klaargemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was klaargemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was klaargemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was klaargemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd klaargemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd klaargemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd klaargemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden klaargemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden klaargemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden klaargemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt klaargemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word klaargemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden klaargemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden klaargemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden klaargemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt klaargemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt klaargemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal klaargemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klaargemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal klaargemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klaargemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klaargemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal klaargemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klaargemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klaarmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal klaarmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal klaarmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal klaarmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn klaargemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn klaargemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn klaargemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt klaargemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou klaargemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klaargemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klaargemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klaargemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klaargemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou klaargemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klaargemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klaargemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klaargemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klaarmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou klaarmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou klaarmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou klaarmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) klaarmaken klaar zou(dt) maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden klaargemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden klaargemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden klaargemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klaargemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klaargemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klaargemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klaargemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden klaargemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden klaargemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klaarmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klaarmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klaarmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden klaarmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt klaargemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klaargemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klaargemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klaarmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt klaarmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen klaargemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen klaargemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen klaargemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klaargemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klaargemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klaargemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klaargemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen klaargemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen klaargemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klaarmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen klaarmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klaarmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klaarmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen klaarmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult klaargemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van klaar en maken
Woordfamilie van klaarmaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klaargemaakt | voltooid deelwoord | klaarmaken |
| klaargemaakte | woordvorm | klaarmaken |
| klaarmaak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | klaarmaken |
| klaarmaakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | klaarmaken |
| klaarmaakte | subordinate-clause, verleden tijd | klaarmaken |
| klaarmaakten | subordinate-clause, verleden tijd | klaarmaken |
| klaarmake | with-subordinate-clause | klaarmaken |
| klaarmakend | onvoltooid deelwoord | klaarmaken |
| klaarmakende | woordvorm | klaarmaken |
| maak klaar | gebiedende wijs | klaarmaken |
| maakt klaar | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | klaarmaken |
| maakte klaar | verleden tijd | klaarmaken |
| maakten klaar | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | klaarmaken |
| make klaar | woordvorm | klaarmaken |
| maken klaar | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | klaarmaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klaarmaken zijn vastgelegd.