klaarzitten
werkwoordBetekenis
- gereed zitten of zijn voor verwerking
Vervoeging van klaarzitten
klaarzittenhele werkwoord — zat klaarverleden tijd enkelvoud — zaten klaarverleden tijd meervoud — klaargezetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zit klaar | zat klaar |
| jij | zit klaar | zat klaar |
| hij, zij, het | zit klaar | zat klaar |
| wij | zitten klaar | zaten klaar |
| jullie | zitten klaar | zaten klaar |
| zij | zitten klaar | zaten klaar |
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had klaargezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had klaargezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had klaargezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden klaargezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden klaargezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden klaargezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt klaargezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb klaargezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben klaargezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben klaargezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben klaargezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben klaargezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt klaargezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft klaargezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft klaargezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klaar te zitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klaar te zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaar zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
| klaar zou zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zouden zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zoudt zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaar zullen zitten | bijzin, toekomende tijd |
| klaar zult zitten | bijzin, toekomende tijd |
| klaargezeten | verleden tijd, deelwoord |
| klaargezeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaargezeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaarzat | bijzin, verleden tijd |
| klaarzaten | bijzin, verleden tijd |
| klaarzit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| klaarzittend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben klaargezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen klaarzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal klaargezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klaargezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal klaargezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klaarzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal klaarzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal klaarzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal klaarzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zat klaar | verleden tijd |
| zit klaar | gebiedende wijs |
| zou klaargezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klaargezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klaargezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klaarzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou klaarzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou klaarzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou klaarzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) klaarzitten klaar zou(dt) zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden klaargezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden klaargezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden klaargezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klaarzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klaarzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klaarzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden klaarzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt klaargezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klaarzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt klaarzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen klaargezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen klaargezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen klaargezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klaarzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen klaarzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klaarzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klaarzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen klaarzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult klaargezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult klaarzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult klaarzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal klaarzitten klaar zult/zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van klaar en zitten
Woordfamilie van klaarzitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klaargezeten | voltooid deelwoord | klaarzitten |
| klaarzat | subordinate-clause, verleden tijd | klaarzitten |
| klaarzaten | subordinate-clause, verleden tijd | klaarzitten |
| klaarzit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | klaarzitten |
| klaarzitte | with-subordinate-clause | klaarzitten |
| klaarzittend | onvoltooid deelwoord | klaarzitten |
| klaarzittende | woordvorm | klaarzitten |
| zat klaar | verleden tijd | klaarzitten |
| zaten klaar | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | klaarzitten |
| zit klaar | gebiedende wijs | klaarzitten |
| zitte klaar | woordvorm | klaarzitten |
| zitten klaar | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | klaarzitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klaarzitten zijn vastgelegd.