Naar de inhoud

klaarzetten

iets ergens gereed voor gebruik neerzetten

klaarzetten

werkwoord

Betekenis

  1. iets ergens gereed voor gebruik neerzetten

Vervoeging van klaarzetten

klaarzettenhele werkwoord — zette klaarverleden tijd enkelvoud — zetten klaarverleden tijd meervoud — klaargezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet klaar zette klaar
jij zet klaar zette klaar
hij, zij, het zet klaar zette klaar
wij zetten klaar zetten klaar
jullie zetten klaar zetten klaar
zij zetten klaar zetten klaar
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is klaargezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was klaargezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd klaargezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt klaargezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal klaargezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal klaargezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou klaargezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou klaargezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had klaargezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had klaargezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had klaargezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden klaargezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden klaargezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden klaargezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt klaargezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben klaargezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klaar te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
klaar te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
klaar zal zetten bijzin, toekomende tijd
klaar zou zetten bijzin, voorwaardelijk
klaar zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
klaar zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
klaar zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
klaar zullen zetten bijzin, toekomende tijd
klaar zult zetten bijzin, toekomende tijd
klaargezet verleden tijd, deelwoord
klaargezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
klaargezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
klaargezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
klaargezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
klaargezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
klaargezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
klaargezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
klaargezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
klaargezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
klaargezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
klaarzet bijzin, tegenwoordige tijd
klaarzette bijzin, verleden tijd
klaarzettend onvoltooid, deelwoord
te hebben klaargezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen klaarzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart klaargezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren klaargezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren klaargezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren klaargezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was klaargezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was klaargezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was klaargezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd klaargezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd klaargezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd klaargezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden klaargezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden klaargezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden klaargezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt klaargezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word klaargezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden klaargezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden klaargezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden klaargezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt klaargezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt klaargezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal klaargezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal klaargezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal klaargezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal klaargezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal klaargezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal klaarzetten bijzin, toekomende tijd
zet klaar gebiedende wijs
zette klaar verleden tijd
zijn klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou klaargezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou klaargezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou klaargezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou klaargezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou klaargezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou klaargezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou klaarzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) klaarzetten klaar zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden klaargezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden klaargezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden klaargezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden klaargezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden klaargezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden klaargezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden klaarzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt klaargezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt klaargezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt klaarzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen klaargezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen klaargezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen klaargezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen klaargezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen klaargezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen klaargezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen klaarzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen klaarzetten bijzin, toekomende tijd
zult klaargezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult klaargezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van klaarzetten

Vervoeging van klaarzetten

klaarzettenhele werkwoord — zette klaarverleden tijd enkelvoud — zetten klaarverleden tijd meervoud — klaargezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet klaar zette klaar
jij zet klaar zette klaar
hij, zij, het zet klaar zette klaar
wij zetten klaar zetten klaar
jullie zetten klaar zetten klaar
zij zetten klaar zetten klaar
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is klaargezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was klaargezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd klaargezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt klaargezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal klaargezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal klaargezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou klaargezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou klaargezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had klaargezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had klaargezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had klaargezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden klaargezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden klaargezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden klaargezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt klaargezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben klaargezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klaar te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
klaar te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
klaar zal zetten bijzin, toekomende tijd
klaar zou zetten bijzin, voorwaardelijk
klaar zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
klaar zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
klaar zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
klaar zullen zetten bijzin, toekomende tijd
klaar zult zetten bijzin, toekomende tijd
klaargezet verleden tijd, deelwoord
klaargezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
klaargezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
klaargezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
klaargezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
klaargezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
klaargezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
klaargezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
klaargezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
klaargezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
klaargezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
klaarzet bijzin, tegenwoordige tijd
klaarzette bijzin, verleden tijd
klaarzettend onvoltooid, deelwoord
te hebben klaargezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen klaarzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart klaargezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren klaargezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren klaargezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren klaargezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was klaargezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was klaargezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was klaargezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd klaargezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd klaargezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd klaargezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden klaargezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden klaargezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden klaargezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt klaargezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word klaargezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden klaargezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden klaargezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden klaargezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt klaargezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt klaargezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal klaargezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal klaargezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal klaargezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal klaargezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal klaargezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal klaarzetten bijzin, toekomende tijd
zet klaar gebiedende wijs
zette klaar verleden tijd
zijn klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt klaargezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou klaargezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou klaargezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou klaargezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou klaargezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou klaargezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou klaargezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou klaarzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) klaarzetten klaar zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden klaargezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden klaargezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden klaargezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden klaargezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden klaargezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden klaargezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden klaarzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt klaargezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt klaargezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt klaarzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen klaargezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen klaargezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen klaargezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen klaargezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen klaargezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen klaargezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen klaarzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen klaarzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen klaarzetten bijzin, toekomende tijd
zult klaargezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult klaargezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult klaargezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van klaar en zetten

Woordfamilie van klaarzetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
klaargezet voltooid deelwoord klaarzetten
klaargezette woordvorm klaarzetten
klaarzet subordinate-clause, tegenwoordige tijd klaarzetten
klaarzette subordinate-clause, verleden tijd klaarzetten
klaarzettend onvoltooid deelwoord klaarzetten
klaarzettende woordvorm klaarzetten
zet klaar gebiedende wijs klaarzetten
zette klaar verleden tijd klaarzetten
zetten klaar aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon klaarzetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klaarzetten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over klaarzetten

Wat betekent klaarzetten?
Klaarzetten is een werkwoord. Het woord betekent: iets ergens gereed voor gebruik neerzetten.
Hoe vervoeg je klaarzetten?
Je vervoegt klaarzetten als volgt: het voltooid deelwoord is klaargezet. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord klaarzetten is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. L 3
  3. A 1
  4. A 1
  5. R 2
  6. Z 4
  7. E 1
  8. T 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

klaarzetten levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. L 3
  3. A 1
  4. A 1
  5. R 2
  6. Z 5
  7. E 1
  8. T 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

klaarzetten in het kort

klaarzetten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van klaarzetten zijn 84 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort klaarzetten bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

klaarzetten: iets ergens gereed voor gebruik neerzetten
Deel klaarzetten — standaardnederlands.nl