klaarzetten
werkwoordBetekenis
- iets ergens gereed voor gebruik neerzetten
Vervoeging van klaarzetten
klaarzettenhele werkwoord — zette klaarverleden tijd enkelvoud — zetten klaarverleden tijd meervoud — klaargezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet klaar | zette klaar |
| jij | zet klaar | zette klaar |
| hij, zij, het | zet klaar | zette klaar |
| wij | zetten klaar | zetten klaar |
| jullie | zetten klaar | zetten klaar |
| zij | zetten klaar | zetten klaar |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is klaargezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was klaargezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd klaargezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt klaargezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal klaargezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal klaargezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou klaargezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou klaargezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had klaargezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had klaargezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had klaargezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden klaargezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden klaargezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden klaargezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt klaargezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben klaargezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klaar te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klaar te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaar zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| klaar zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaar zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| klaar zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| klaargezet | verleden tijd, deelwoord |
| klaargezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klaargezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klaargezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaargezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaargezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaargezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| klaargezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| klaargezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaargezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaargezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaarzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| klaarzette | bijzin, verleden tijd |
| klaarzettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben klaargezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen klaarzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart klaargezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren klaargezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren klaargezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren klaargezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was klaargezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was klaargezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was klaargezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal klaargezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klaargezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal klaargezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal klaargezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klaargezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal klaarzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet klaar | gebiedende wijs |
| zette klaar | verleden tijd |
| zijn klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou klaargezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klaargezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klaargezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klaargezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klaargezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klaargezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou klaarzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) klaarzetten klaar zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden klaargezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden klaargezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden klaargezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klaargezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden klaargezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden klaargezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden klaarzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt klaargezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klaargezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt klaarzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen klaargezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen klaargezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen klaargezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klaargezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen klaargezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen klaargezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klaarzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen klaarzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult klaargezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult klaargezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van klaarzetten
Vervoeging van klaarzetten
klaarzettenhele werkwoord — zette klaarverleden tijd enkelvoud — zetten klaarverleden tijd meervoud — klaargezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet klaar | zette klaar |
| jij | zet klaar | zette klaar |
| hij, zij, het | zet klaar | zette klaar |
| wij | zetten klaar | zetten klaar |
| jullie | zetten klaar | zetten klaar |
| zij | zetten klaar | zetten klaar |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is klaargezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was klaargezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd klaargezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt klaargezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal klaargezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal klaargezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou klaargezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou klaargezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had klaargezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had klaargezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had klaargezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden klaargezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden klaargezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden klaargezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt klaargezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben klaargezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klaar te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klaar te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaar zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| klaar zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaar zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| klaar zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| klaargezet | verleden tijd, deelwoord |
| klaargezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klaargezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klaargezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaargezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaargezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaargezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| klaargezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| klaargezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaargezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaargezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaarzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| klaarzette | bijzin, verleden tijd |
| klaarzettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben klaargezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen klaarzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart klaargezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren klaargezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren klaargezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren klaargezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was klaargezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was klaargezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was klaargezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt klaargezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal klaargezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klaargezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal klaargezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal klaargezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klaargezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal klaarzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet klaar | gebiedende wijs |
| zette klaar | verleden tijd |
| zijn klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt klaargezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou klaargezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klaargezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klaargezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klaargezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klaargezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klaargezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou klaarzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) klaarzetten klaar zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden klaargezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden klaargezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden klaargezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klaargezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden klaargezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden klaargezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden klaarzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt klaargezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klaargezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt klaarzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen klaargezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen klaargezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen klaargezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klaargezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen klaargezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen klaargezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klaarzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klaarzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen klaarzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult klaargezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult klaargezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult klaargezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van klaar en zetten
Woordfamilie van klaarzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klaargezet | voltooid deelwoord | klaarzetten |
| klaargezette | woordvorm | klaarzetten |
| klaarzet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | klaarzetten |
| klaarzette | subordinate-clause, verleden tijd | klaarzetten |
| klaarzettend | onvoltooid deelwoord | klaarzetten |
| klaarzettende | woordvorm | klaarzetten |
| zet klaar | gebiedende wijs | klaarzetten |
| zette klaar | verleden tijd | klaarzetten |
| zetten klaar | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | klaarzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klaarzetten zijn vastgelegd.