Naar de inhoud

klaarspelen

iets moeilijks in orde of ten einde brengen

klaarspelen

werkwoord

Betekenis

  1. iets moeilijks in orde of ten einde brengen

Vervoeging van klaarspelen

klaarspelenhele werkwoord — speelde klaarverleden tijd enkelvoud — speelden klaarverleden tijd meervoud — klaargespeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speel klaar speelde klaar
jij speelt klaar speelde klaar
hij, zij, het speelt klaar speelde klaar
wij spelen klaar speelden klaar
jullie spelen klaar speelden klaar
zij spelen klaar speelden klaar
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben klaargespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent klaargespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is klaargespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was klaargespeeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd klaargespeeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt klaargespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal klaargespeeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal klaargespeeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou klaargespeeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou klaargespeeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had klaargespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had klaargespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had klaargespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden klaargespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden klaargespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden klaargespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt klaargespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb klaargespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben klaargespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben klaargespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben klaargespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben klaargespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt klaargespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft klaargespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft klaargespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is klaargespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is klaargespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klaar te spelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
klaar te zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
klaar zal spelen bijzin, toekomende tijd
klaar zou spelen bijzin, voorwaardelijk
klaar zouden spelen bijzin, voorwaardelijk
klaar zoudt spelen bijzin, voorwaardelijk
klaar zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
klaar zullen spelen bijzin, toekomende tijd
klaar zult spelen bijzin, toekomende tijd
klaargespeeld verleden tijd, deelwoord
klaargespeeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
klaargespeeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
klaargespeeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
klaargespeeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
klaargespeeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
klaargespeeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
klaargespeeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
klaargespeeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
klaargespeeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
klaargespeeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
klaarspeel bijzin, tegenwoordige tijd
klaarspeelde bijzin, verleden tijd
klaarspeelden bijzin, verleden tijd
klaarspeelt bijzin, tegenwoordige tijd
klaarspelend onvoltooid, deelwoord
speel klaar gebiedende wijs
speelde klaar verleden tijd
te hebben klaargespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen klaarspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart klaargespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren klaargespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren klaargespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren klaargespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was klaargespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was klaargespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was klaargespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd klaargespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd klaargespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd klaargespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden klaargespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden klaargespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden klaargespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt klaargespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word klaargespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden klaargespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden klaargespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden klaargespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt klaargespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt klaargespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal klaargespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal klaargespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal klaargespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal klaargespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal klaargespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal klaargespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal klaargespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal klaarspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal klaarspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal klaarspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal klaarspelen bijzin, toekomende tijd
zijn klaargespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn klaargespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn klaargespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt klaargespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou klaargespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou klaargespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou klaargespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou klaargespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou klaargespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou klaargespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou klaargespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou klaargespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou klaargespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou klaarspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou klaarspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou klaarspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou klaarspelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) klaarspelen klaar zou(dt) spelen bijzin, voorwaardelijk
zouden klaargespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden klaargespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden klaargespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden klaargespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden klaargespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden klaargespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden klaargespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden klaargespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden klaargespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden klaarspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden klaarspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden klaarspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden klaarspelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt klaargespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt klaargespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt klaargespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt klaarspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt klaarspelen bijzin, voorwaardelijk
zullen klaargespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen klaargespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen klaargespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen klaargespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen klaargespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen klaargespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen klaargespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen klaargespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen klaargespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen klaarspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen klaarspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen klaarspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen klaarspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen klaarspelen bijzin, toekomende tijd
zult klaargespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van klaar en spelen

Woordfamilie van klaarspelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
klaargespeeld voltooid deelwoord klaarspelen
klaargespeelde woordvorm klaarspelen
klaarspeel subordinate-clause, tegenwoordige tijd klaarspelen
klaarspeelde subordinate-clause, verleden tijd klaarspelen
klaarspeelden subordinate-clause, verleden tijd klaarspelen
klaarspeelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd klaarspelen
klaarspele with-subordinate-clause klaarspelen
klaarspelend onvoltooid deelwoord klaarspelen
klaarspelende woordvorm klaarspelen
speel klaar gebiedende wijs klaarspelen
speelde klaar verleden tijd klaarspelen
speelden klaar aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon klaarspelen
speelt klaar aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon klaarspelen
spele klaar woordvorm klaarspelen
spelen klaar aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon klaarspelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klaarspelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over klaarspelen

Wat betekent klaarspelen?
Klaarspelen is een werkwoord. Het woord betekent: iets moeilijks in orde of ten einde brengen.
Hoe vervoeg je klaarspelen?
Je vervoegt klaarspelen als volgt: het voltooid deelwoord is klaargespeeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord klaarspelen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. L 3
  3. A 1
  4. A 1
  5. R 2
  6. S 2
  7. P 3
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

klaarspelen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. L 3
  3. A 1
  4. A 1
  5. R 2
  6. S 2
  7. P 4
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

klaarspelen in het kort

klaarspelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van klaarspelen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort klaarspelen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

klaarspelen: iets moeilijks in orde of ten einde brengen
Deel klaarspelen — standaardnederlands.nl