klaarkomen
werkwoord /ˈklarˌkomə(n)/Betekenis
- afgemaakt worden
- een orgasme hebben, krijgen
Hoe spreek je klaarkomen uit?
/ˈklarˌkomən/
Klaarkomen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| a | maan |
| r | rood |
| o | boot |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van klaarkomen
klaarkomenhele werkwoord — kwam klaarverleden tijd enkelvoud — kwamen klaarverleden tijd meervoud — klaargekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom klaar | kwam klaar |
| jij | komt klaar | kwaamt klaar |
| hij, zij, het | komt klaar | kwam klaar |
| wij | komen klaar | kwamen klaar |
| jullie | komen klaar | kwamen klaar |
| zij | komen klaar | kwamen klaar |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben klaargekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent klaargekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is klaargekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is klaargekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klaar te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klaar te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaar zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| klaar zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaar zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| klaar zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| klaargekomen | verleden tijd, deelwoord |
| klaargekomen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaargekomen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaarkom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| klaarkomend | onvoltooid, deelwoord |
| klaarkomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| klaarkwaamt | bijzin, verleden tijd |
| klaarkwam | bijzin, verleden tijd |
| klaarkwamen | bijzin, verleden tijd |
| kom klaar | gebiedende wijs |
| kwam klaar | verleden tijd |
| te zijn klaargekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen klaarkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart klaargekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren klaargekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren klaargekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren klaargekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was klaargekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was klaargekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was klaargekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal klaargekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klaargekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal klaargekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klaarkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal klaarkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal klaarkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal klaarkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn klaargekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn klaargekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn klaargekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn klaargekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt klaargekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou klaargekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klaargekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klaargekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klaarkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou klaarkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou klaarkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou klaarkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) klaarkomen klaar zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden klaargekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden klaargekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden klaargekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klaarkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klaarkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klaarkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden klaarkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt klaargekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klaarkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt klaarkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen klaargekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen klaargekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen klaargekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klaarkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen klaarkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klaarkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klaarkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen klaarkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult klaargekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult klaarkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult klaarkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal klaarkomen klaar zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
In de betekenis van ‘gereedkomen, volbrengen’ voor het eerst aangetroffen in 1819
Woordfamilie van klaarkomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klaargekomen | voltooid deelwoord | klaarkomen |
| klaarkom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | klaarkomen |
| klaarkome | with-subordinate-clause | klaarkomen |
| klaarkomend | onvoltooid deelwoord | klaarkomen |
| klaarkomende | woordvorm | klaarkomen |
| klaarkomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | klaarkomen |
| klaarkwam | subordinate-clause, verleden tijd | klaarkomen |
| klaarkwamen | subordinate-clause, verleden tijd | klaarkomen |
| kom klaar | gebiedende wijs | klaarkomen |
| kome klaar | woordvorm | klaarkomen |
| komen klaar | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | klaarkomen |
| komt klaar | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | klaarkomen |
| kwam klaar | verleden tijd | klaarkomen |
| kwamen klaar | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | klaarkomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klaarkomen zijn vastgelegd.