klaarliggen
werkwoordBetekenis
- gereed liggen voor gebruik of verwerking
Vervoeging van klaarliggen
klaarliggenhele werkwoord — lag klaarverleden tijd enkelvoud — lagen klaarverleden tijd meervoud — klaargelegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lig klaar | lag klaar |
| jij | ligt klaar | laagt klaar |
| hij, zij, het | ligt klaar | lag klaar |
| wij | liggen klaar | lagen klaar |
| jullie | liggen klaar | lagen klaar |
| zij | liggen klaar | lagen klaar |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had klaargelegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had klaargelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had klaargelegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden klaargelegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden klaargelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden klaargelegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt klaargelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb klaargelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben klaargelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben klaargelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben klaargelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben klaargelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt klaargelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft klaargelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft klaargelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klaar te liggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klaar te zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaar zal liggen | bijzin, toekomende tijd |
| klaar zou liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zouden liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zoudt liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaar zullen liggen | bijzin, toekomende tijd |
| klaar zult liggen | bijzin, toekomende tijd |
| klaargelegen | verleden tijd, deelwoord |
| klaargelegen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaargelegen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaarlaagt | bijzin, verleden tijd |
| klaarlag | bijzin, verleden tijd |
| klaarlagen | bijzin, verleden tijd |
| klaarlig | bijzin, tegenwoordige tijd |
| klaarliggend | onvoltooid, deelwoord |
| klaarligt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| lag klaar | verleden tijd |
| lig klaar | gebiedende wijs |
| te hebben klaargelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen klaarliggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal klaargelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klaargelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal klaargelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klaarliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal klaarliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal klaarliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal klaarliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zou klaargelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klaargelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klaargelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klaarliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou klaarliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou klaarliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou klaarliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) klaarliggen klaar zou(dt) liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden klaargelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden klaargelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden klaargelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klaarliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klaarliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klaarliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden klaarliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt klaargelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klaarliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt klaarliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen klaargelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen klaargelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen klaargelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klaarliggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen klaarliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klaarliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klaarliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen klaarliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult klaargelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult klaarliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult klaarliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal klaarliggen klaar zult/zal liggen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van klaar en liggen
Woordfamilie van klaarliggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klaargelegen | voltooid deelwoord | klaarliggen |
| klaarlag | subordinate-clause, verleden tijd | klaarliggen |
| klaarlagen | subordinate-clause, verleden tijd | klaarliggen |
| klaarlig | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | klaarliggen |
| klaarligge | with-subordinate-clause | klaarliggen |
| klaarliggend | onvoltooid deelwoord | klaarliggen |
| klaarliggende | woordvorm | klaarliggen |
| klaarligt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | klaarliggen |
| lag klaar | verleden tijd | klaarliggen |
| lagen klaar | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | klaarliggen |
| lig klaar | gebiedende wijs | klaarliggen |
| ligge klaar | woordvorm | klaarliggen |
| liggen klaar | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | klaarliggen |
| ligt klaar | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | klaarliggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klaarliggen zijn vastgelegd.