klaarstaan
werkwoord ˈklarstanBetekenis
- gereed voor gebruik staan
- voor iemand ~: altijd bereid zijn iemand te helpen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je klaarstaan uit?
/ˈklarstan/
Klaarstaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| a | maan |
| r | rood |
| s | sok |
| t | tak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van klaarstaan
klaarstaanhele werkwoord — stond klaarverleden tijd enkelvoud — stonden klaarverleden tijd meervoud — klaargestaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sta klaar | stond klaar |
| jij | staat klaar | stond klaar |
| hij, zij, het | staat klaar | stond klaar |
| wij | staan klaar | stonden klaar |
| jullie | staan klaar | stonden klaar |
| zij | staan klaar | stonden klaar |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had klaargestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had klaargestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had klaargestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden klaargestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden klaargestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden klaargestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt klaargestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb klaargestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben klaargestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben klaargestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben klaargestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben klaargestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt klaargestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft klaargestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft klaargestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klaar te staan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klaar te zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaar zal staan | bijzin, toekomende tijd |
| klaar zou staan | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zouden staan | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zoudt staan | bijzin, voorwaardelijk |
| klaar zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaar zullen staan | bijzin, toekomende tijd |
| klaar zult staan | bijzin, toekomende tijd |
| klaargestaan | verleden tijd, deelwoord |
| klaargestaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klaargestaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klaarsta | bijzin, tegenwoordige tijd |
| klaarstaand | onvoltooid, deelwoord |
| klaarstaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| klaarstond | bijzin, verleden tijd |
| klaarstonden | bijzin, verleden tijd |
| klaarstondt | bijzin, verleden tijd |
| sta klaar | gebiedende wijs |
| stond klaar | verleden tijd |
| te hebben klaargestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen klaarstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal klaargestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klaargestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal klaargestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klaarstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal klaarstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal klaarstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal klaarstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zou klaargestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klaargestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klaargestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klaarstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou klaarstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou klaarstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou klaarstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) klaarstaan klaar zou(dt) staan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden klaargestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden klaargestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden klaargestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klaarstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klaarstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klaarstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden klaarstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt klaargestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klaarstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt klaarstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen klaargestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen klaargestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen klaargestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klaarstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen klaarstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klaarstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klaarstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen klaarstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult klaargestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult klaarstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult klaarstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal klaarstaan klaar zult/zal staan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van klaar en staan
Woordfamilie van klaarstaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klaargestaan | voltooid deelwoord | klaarstaan |
| klaarsta | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | klaarstaan |
| klaarstaand | onvoltooid deelwoord | klaarstaan |
| klaarstaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | klaarstaan |
| klaarstond | subordinate-clause, verleden tijd | klaarstaan |
| klaarstonden | subordinate-clause, verleden tijd | klaarstaan |
| sta klaar | gebiedende wijs | klaarstaan |
| staan klaar | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | klaarstaan |
| staat klaar | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | klaarstaan |
| stond klaar | verleden tijd | klaarstaan |
| stonden klaar | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | klaarstaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klaarstaan zijn vastgelegd.