aanbenen
werkwoord ˈambɛnə(n)Betekenis
- snel lopen
Hoe spreek je aanbenen uit?
/ˈambɛnən/
Aanbenen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanbenen
aanbenenhele werkwoord — beende aanverleden tijd enkelvoud — beenden aanverleden tijd meervoud — aangebeendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | been aan | beende aan |
| jij | beent aan | beende aan |
| hij, zij, het | beent aan | beende aan |
| wij | benen aan | beenden aan |
| jullie | benen aan | beenden aan |
| zij | benen aan | beenden aan |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te benen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen benen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal benen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou benen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden benen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt benen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen benen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen benen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult benen | bijzin, toekomende tijd |
| aanbeen | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbeende | bijzin, verleden tijd |
| aanbeenden | bijzin, verleden tijd |
| aanbeent | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbenend | onvoltooid, deelwoord |
| aangebeend | verleden tijd, deelwoord |
| aangebeend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebeend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| been aan | gebiedende wijs |
| beende aan | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangebeend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangebeend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangebeend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangebeend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangebeend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangebeend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangebeend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangebeend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangebeend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangebeend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangebeend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangebeend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangebeend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangebeend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangebeend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangebeend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanbenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aanbenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanbenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanbenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanbenen | bijzin, toekomende tijd |
| zal aangebeend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebeend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangebeend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou aanbenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanbenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanbenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanbenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aangebeend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebeend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebeend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aanbenen aan zou(dt) benen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanbenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanbenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanbenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanbenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangebeend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangebeend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangebeend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aanbenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanbenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangebeend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aanbenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanbenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanbenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanbenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanbenen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aangebeend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangebeend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangebeend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aanbenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanbenen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangebeend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal aanbenen aan zult/zal benen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en benen ww
Woordfamilie van aanbenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanbeen | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbenen |
| aanbeende | subordinate-clause, verleden tijd | aanbenen |
| aanbeenden | subordinate-clause, verleden tijd | aanbenen |
| aanbeent | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbenen |
| aanbene | with-subordinate-clause | aanbenen |
| aanbenend | onvoltooid deelwoord | aanbenen |
| aanbenende | woordvorm | aanbenen |
| aangebeend | voltooid deelwoord | aanbenen |
| aangebeende | woordvorm | aanbenen |
| been aan | gebiedende wijs | aanbenen |
| beende aan | verleden tijd | aanbenen |
| beenden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanbenen |
| beent aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanbenen |
| bene aan | woordvorm | aanbenen |
| benen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanbenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbenen zijn vastgelegd.