aanblijven
werkwoord ˈamblɛivə(n)Betekenis
- in dezelfde functie blijven
- blijven branden
Hoe spreek je aanblijven uit?
/ˈamblɛivən/
Aanblijven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| l | land |
| ɛi | trein |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanblijven
aanblijvenhele werkwoord — bleef aanverleden tijd enkelvoud — bleven aanverleden tijd meervoud — aangeblevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blijf aan | bleef aan |
| jij | blijft aan | bleef aan |
| hij, zij, het | blijft aan | bleef aan |
| wij | blijven aan | bleven aan |
| jullie | blijven aan | bleven aan |
| zij | blijven aan | bleven aan |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te blijven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen blijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal blijven | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen blijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen blijven | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult blijven | bijzin, toekomende tijd |
| aanbleef | bijzin, verleden tijd |
| aanbleeft | bijzin, verleden tijd |
| aanbleven | bijzin, verleden tijd |
| aanblijf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanblijft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanblijvend | onvoltooid, deelwoord |
| aangebleven | verleden tijd, deelwoord |
| aangebleven te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebleven zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben aangebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bleef aan | verleden tijd |
| blijf aan | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| is aangebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn aangebleven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanblijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangebleven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangebleven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangebleven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangebleven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal aanblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanblijven | bijzin, toekomende tijd |
| zal aangebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn aangebleven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn aangebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aanblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanblijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aangebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aanblijven aan zou(dt) blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanblijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aanblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanblijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aanblijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanblijven | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aangebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aanblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanblijven | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal aanblijven aan zult/zal blijven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en blijven ww
Woordfamilie van aanblijven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanbleef | subordinate-clause, verleden tijd | aanblijven |
| aanbleven | subordinate-clause, verleden tijd | aanblijven |
| aanblijf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanblijven |
| aanblijft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanblijven |
| aanblijve | with-subordinate-clause | aanblijven |
| aanblijvend | onvoltooid deelwoord | aanblijven |
| aanblijvende | woordvorm | aanblijven |
| aangebleven | voltooid deelwoord | aanblijven |
| bleef aan | verleden tijd | aanblijven |
| bleeft aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanblijven |
| bleven aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanblijven |
| blijf aan | gebiedende wijs | aanblijven |
| blijft aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanblijven |
| blijve aan | woordvorm | aanblijven |
| blijven aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanblijven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanblijven zijn vastgelegd.