aanblaffen
werkwoord ˈamblɑfə(n)Betekenis
- ergens naar blaffen. (bij dieren)
- iemand toesnauwen. (bij mensen)
Hoe spreek je aanblaffen uit?
/ˈamblɑfən/
Aanblaffen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ergens naar blaffen. transitive
- iemand toesnauwen. transitive
Vervoeging van aanblaffen
aanblaffenhele werkwoord — blafte aanverleden tijd enkelvoud — blaften aanverleden tijd meervoud — aangeblaftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blaf aan | blafte aan |
| jij | blaft aan | blafte aan |
| hij, zij, het | blaft aan | blafte aan |
| wij | blaffen aan | blaften aan |
| jullie | blaffen aan | blaften aan |
| zij | blaffen aan | blaften aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te blaffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen blaffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal blaffen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou blaffen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden blaffen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt blaffen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen blaffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen blaffen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult blaffen | bijzin, toekomende tijd |
| aanblaf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanblaffend | onvoltooid, deelwoord |
| aanblaft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanblafte | bijzin, verleden tijd |
| aanblaften | bijzin, verleden tijd |
| aangeblaft | verleden tijd, deelwoord |
| aangeblaft te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangeblaft te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangeblaft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeblaft te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeblaft te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeblaft worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangeblaft zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangeblaft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangeblaft zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangeblaft zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben aangeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| blaf aan | gebiedende wijs |
| blafte aan | verleden tijd |
| er is aangeblaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangeblaft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangeblaft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangeblaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangeblaft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangeblaft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangeblaft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangeblaft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangeblaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangeblaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangeblaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangeblaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangeblaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangeblaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangeblaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeblaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangeblaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanblaffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangeblaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangeblaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangeblaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangeblaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangeblaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangeblaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangeblaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangeblaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangeblaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangeblaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangeblaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangeblaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangeblaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangeblaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangeblaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangeblaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangeblaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangeblaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangeblaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangeblaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aanblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanblaffen | bijzin, toekomende tijd |
| zal aangeblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangeblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangeblaft zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeblaft zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn aangeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aanblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanblaffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aangeblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeblaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeblaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeblaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aanblaffen aan zou(dt) blaffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanblaffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangeblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangeblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangeblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangeblaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangeblaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangeblaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aanblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanblaffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangeblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangeblaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aanblaffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanblaffen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aangeblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangeblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangeblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangeblaft zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangeblaft zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangeblaft zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aanblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en blaffen ww
Woordfamilie van aanblaffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanblaf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanblaffen |
| aanblaffe | with-subordinate-clause | aanblaffen |
| aanblaffend | onvoltooid deelwoord | aanblaffen |
| aanblaffende | woordvorm | aanblaffen |
| aanblaft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanblaffen |
| aanblafte | subordinate-clause, verleden tijd | aanblaffen |
| aanblaften | subordinate-clause, verleden tijd | aanblaffen |
| aangeblaft | voltooid deelwoord | aanblaffen |
| aangeblafte | woordvorm | aanblaffen |
| blaf aan | gebiedende wijs | aanblaffen |
| blaffe aan | woordvorm | aanblaffen |
| blaffen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanblaffen |
| blaft aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanblaffen |
| blafte aan | verleden tijd | aanblaffen |
| blaften aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanblaffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanblaffen zijn vastgelegd.