aanbidden
werkwoord amˈbɪdə(n)Betekenis
- vereren van een god of heilige door daar een gebed aan te richten
- een persoon op hogere waarde inschatten
Hoe spreek je aanbidden uit?
/amˈbɪdən/
Aanbidden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| ɪ | pit |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanbidden
aanbiddenhele werkwoord — aanbadverleden tijd enkelvoud — aanbadenverleden tijd meervoud — aanbedenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | aanbid | aanbad |
| jij | aanbidt | aanbad |
| hij, zij, het | aanbidt | aanbad |
| wij | aanbidden | aanbaden |
| jullie | aanbidden | aanbaden |
| zij | aanbidden | aanbaden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aanbad | verleden tijd |
| aanbeden | verleden tijd, deelwoord |
| aanbeden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aanbeden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aanbeden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aanbeden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aanbeden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aanbeden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aanbeden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aanbeden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanbeden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanbeden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanbid | gebiedende wijs |
| aanbidde | aanvoegende wijs |
| aanbiddend | onvoltooid, deelwoord |
| ben aanbeden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aanbeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aanbeden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aanbeden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aanbeden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aanbeden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aanbeden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aanbeden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aanbeden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aanbeden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aanbeden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aanbeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aanbeden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aanbeden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aanbeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aanbeden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aanbeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aanbeden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aanbeden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aanbeden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aanbeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aanbeden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aanbeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aanbeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aanbeden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aanbeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aanbeden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te aanbidden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben aanbeden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanbidden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aanbeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aanbeden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aanbeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aanbeden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aanbeden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aanbeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aanbeden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aanbeden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aanbeden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aanbeden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aanbeden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aanbeden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aanbeden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aanbeden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aanbeden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aanbeden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aanbeden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aanbeden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aanbeden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aanbeden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aanbeden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aanbeden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aanbeden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanbeden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aanbeden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aanbeden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aanbeden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanbidden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanbidden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanbidden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn aanbeden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aanbeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aanbeden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aanbeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aanbeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aanbeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aanbeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanbeden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aanbeden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aanbeden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aanbeden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aanbeden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aanbeden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanbidden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanbidden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanbidden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden aanbeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aanbeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aanbeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanbeden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanbeden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanbeden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanbeden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aanbeden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aanbeden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanbidden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanbidden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanbidden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt aanbeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanbeden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanbeden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanbidden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen aanbeden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aanbeden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aanbeden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanbeden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanbeden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanbeden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanbeden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aanbeden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aanbeden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanbidden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanbidden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanbidden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanbidden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult aanbeden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanbeden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanbeden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanbidden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands aenbidden / anebeden, op te vatten als samenstelling van aan bw en bidden ww , in de betekenis van ‘met geestdrift vereren’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van aanbidden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanbad | verleden tijd | aanbidden |
| aanbaden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanbidden |
| aanbadt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanbidden |
| aanbeden | voltooid deelwoord | aanbidden |
| aanbid | gebiedende wijs | aanbidden |
| aanbidde | aanvoegende wijs | aanbidden |
| aanbiddend | onvoltooid deelwoord | aanbidden |
| aanbiddende | woordvorm | aanbidden |
| aanbidt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanbidden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbidden zijn vastgelegd.