aanbetalen
werkwoord ˈambəˌtalə(n)Betekenis
- een gedeeltelijke vooruitbetaling doen
Hoe spreek je aanbetalen uit?
/ˈambəˌtalən/
Aanbetalen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| ə | de |
| t | tak |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van aanbetalen
aanbetalenhele werkwoord — betaalde aanverleden tijd enkelvoud — betaalden aanverleden tijd meervoud — aanbetaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | betaal aan | betaalde aan |
| jij | betaalt aan | betaalde aan |
| hij, zij, het | betaalt aan | betaalde aan |
| wij | betalen aan | betaalden aan |
| jullie | betalen aan | betaalden aan |
| zij | betalen aan | betaalden aan |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te betalen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen betalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal betalen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen betalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen betalen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult betalen | bijzin, toekomende tijd |
| aanbetaal | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbetaald | verleden tijd, deelwoord |
| aanbetaald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aanbetaald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanbetaalde | bijzin, verleden tijd |
| aanbetaalden | bijzin, verleden tijd |
| aanbetaalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbetalend | onvoltooid, deelwoord |
| betaal aan | gebiedende wijs |
| betaalde aan | verleden tijd |
| er is aanbetaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aanbetaald | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aanbetaald | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aanbetaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aanbetaald worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aanbetaald zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aanbetaald worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aanbetaald zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aanbetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aanbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aanbetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aanbetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aanbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aanbetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aanbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aanbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aanbetaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aanbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aanbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aanbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aanbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aanbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aanbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aanbetaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanbetalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aanbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aanbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aanbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanbetalen | bijzin, toekomende tijd |
| zou aanbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aanbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aanbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanbetalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanbetalen aan zou(dt) betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aanbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aanbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanbetalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aanbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanbetalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aanbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aanbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aanbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanbetalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanbetalen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aanbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanbetalen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanbetalen aan zult/zal betalen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en betalen ww
Woordfamilie van aanbetalen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanbetaal | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbetalen |
| aanbetaald | voltooid deelwoord | aanbetalen |
| aanbetaalde | subordinate-clause, verleden tijd | aanbetalen |
| aanbetaalden | subordinate-clause, verleden tijd | aanbetalen |
| aanbetaalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbetalen |
| aanbetale | with-subordinate-clause | aanbetalen |
| aanbetalend | onvoltooid deelwoord | aanbetalen |
| aanbetalende | woordvorm | aanbetalen |
| betaal aan | gebiedende wijs | aanbetalen |
| betaalde aan | verleden tijd | aanbetalen |
| betaalden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanbetalen |
| betaalt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanbetalen |
| betale aan | woordvorm | aanbetalen |
| betalen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanbetalen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbetalen zijn vastgelegd.