aanbellen
werkwoord ˈambɛlə(n)Betekenis
- bij iemand (aan de deur) bellen, op de knop van de elektrische deurbel van een huis drukken
- aan de deurbel trekken om die te laten rinkelen
Hoe spreek je aanbellen uit?
/ˈambɛlən/
Aanbellen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanbellen
aanbellenhele werkwoord — belde aanverleden tijd enkelvoud — belden aanverleden tijd meervoud — aangebeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bel aan | belde aan |
| jij | belt aan | belde aan |
| hij, zij, het | belt aan | belde aan |
| wij | bellen aan | belden aan |
| jullie | bellen aan | belden aan |
| zij | bellen aan | belden aan |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te bellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen bellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal bellen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou bellen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden bellen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt bellen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen bellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen bellen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult bellen | bijzin, toekomende tijd |
| aanbel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbelde | bijzin, verleden tijd |
| aanbelden | bijzin, verleden tijd |
| aanbellend | onvoltooid, deelwoord |
| aanbelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aangebeld | verleden tijd, deelwoord |
| aangebeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bel aan | gebiedende wijs |
| belde aan | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangebeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangebeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangebeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangebeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangebeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangebeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangebeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangebeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangebeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanbellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aanbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanbellen | bijzin, toekomende tijd |
| zal aangebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou aanbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanbellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aangebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aanbellen aan zou(dt) bellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanbellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aanbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanbellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aanbellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanbellen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aangebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aanbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanbellen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal aanbellen aan zult/zal bellen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en bellen ww
Woordfamilie van aanbellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanbel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbellen |
| aanbelde | subordinate-clause, verleden tijd | aanbellen |
| aanbelden | subordinate-clause, verleden tijd | aanbellen |
| aanbelle | with-subordinate-clause | aanbellen |
| aanbellend | onvoltooid deelwoord | aanbellen |
| aanbellende | woordvorm | aanbellen |
| aanbelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbellen |
| aangebeld | voltooid deelwoord | aanbellen |
| aangebelde | woordvorm | aanbellen |
| bel aan | gebiedende wijs | aanbellen |
| belde aan | verleden tijd | aanbellen |
| belden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanbellen |
| belle aan | woordvorm | aanbellen |
| bellen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanbellen |
| belt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanbellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbellen zijn vastgelegd.