Naar de inhoud

aanblikken

aankijken, aanstaren

aanblikken is meer dan één woord

aanblikken

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈamblɪkə(n)

Betekenis

  1. aankijken, aanstaren

Hoe spreek je aanblikken uit?

/ˈamblɪkən/

Aanblikken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈamblɪkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
m maan
b bak
l land
ɪ pit
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aanblikken

aanblikkenhele werkwoord — blikte aanverleden tijd enkelvoud — blikten aanverleden tijd meervoud — aangebliktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik blik aan blikte aan
jij blikt aan blikte aan
hij, zij, het blikt aan blikte aan
wij blikken aan blikten aan
jullie blikken aan blikten aan
zij blikken aan blikten aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te blikken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen blikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal blikken bijzin, toekomende tijd
aan zou blikken bijzin, voorwaardelijk
aan zouden blikken bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt blikken bijzin, voorwaardelijk
aan zullen blikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen blikken bijzin, toekomende tijd
aan zult blikken bijzin, toekomende tijd
aanblik bijzin, tegenwoordige tijd
aanblikkend onvoltooid, deelwoord
aanblikt bijzin, tegenwoordige tijd
aanblikte bijzin, verleden tijd
aanblikten bijzin, verleden tijd
aangeblikt verleden tijd, deelwoord
aangeblikt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangeblikt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangeblikt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeblikt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeblikt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeblikt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangeblikt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangeblikt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangeblikt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangeblikt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ben aangeblikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangeblikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
blik aan gebiedende wijs
blikte aan verleden tijd
er is aangeblikt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangeblikt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangeblikt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangeblikt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangeblikt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangeblikt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangeblikt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangeblikt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangeblikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangeblikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangeblikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangeblikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangeblikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangeblikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangeblikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangeblikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangeblikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangeblikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangeblikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangeblikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangeblikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangeblikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangeblikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangeblikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangeblikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben aangeblikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanblikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangeblikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangeblikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangeblikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangeblikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangeblikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangeblikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangeblikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangeblikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangeblikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangeblikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangeblikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangeblikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangeblikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangeblikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangeblikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangeblikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangeblikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangeblikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangeblikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangeblikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aanblikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanblikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanblikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanblikken bijzin, toekomende tijd
zal aangeblikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeblikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangeblikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangeblikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeblikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangeblikt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeblikt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn aangeblikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangeblikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangeblikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangeblikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aanblikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanblikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanblikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanblikken bijzin, voorwaardelijk
zou aangeblikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeblikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeblikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangeblikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeblikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangeblikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeblikt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeblikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeblikt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) aanblikken aan zou(dt) blikken bijzin, voorwaardelijk
zouden aanblikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanblikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanblikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanblikken bijzin, voorwaardelijk
zouden aangeblikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangeblikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangeblikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangeblikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangeblikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangeblikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangeblikt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangeblikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangeblikt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt aanblikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanblikken bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangeblikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangeblikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangeblikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen aanblikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanblikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanblikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanblikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanblikken bijzin, toekomende tijd
zullen aangeblikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangeblikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangeblikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangeblikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangeblikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangeblikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangeblikt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangeblikt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangeblikt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult aanblikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord aanblik

Herkomst

samenstelling van aan en blikken

Woordfamilie van aanblikken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aanblikke with-subordinate-clause aanblikken
aanblikkend onvoltooid deelwoord aanblikken
aanblikkende woordvorm aanblikken
aanblikt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanblikken
aanblikte subordinate-clause, verleden tijd aanblikken
aanblikten subordinate-clause, verleden tijd aanblikken
aangeblikt voltooid deelwoord aanblikken
aangeblikte woordvorm aanblikken
blik aan gebiedende wijs aanblikken
blikke aan woordvorm aanblikken
blikken aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanblikken
blikt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanblikken
blikte aan verleden tijd aanblikken
blikten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanblikken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanblikken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanblikken

Hoe spreek ik aanblikken uit?
Zo spreek je aanblikken uit: /ˈamblɪkə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanblikken?
Aanblikken is een werkwoord. De betekenis is: aankijken, aanstaren.
Hoe vervoeg ik aanblikken?
Zo vervoeg je aanblikken zo: het voltooid deelwoord is aangeblikt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanblikken is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. B 3
  5. L 3
  6. I 1
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanblikken levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. B 4
  5. L 3
  6. I 2
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanblikken in het kort

aanblikken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van aanblikken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanblikken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanblikken: aankijken, aanstaren
Deel aanblikken — standaardnederlands.nl