aanboren
werkwoord ˈamborə(n)Betekenis
- met een boor bereiken
- een voorraad gaan gebruiken
Hoe spreek je aanboren uit?
/ˈamborən/
Aanboren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| o | boot |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanboren
aanborenhele werkwoord — boorde aanverleden tijd enkelvoud — boorden aanverleden tijd meervoud — aangeboordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | boor aan | boorde aan |
| jij | boort aan | boorde aan |
| hij, zij, het | boort aan | boorde aan |
| wij | boren aan | boorden aan |
| jullie | boren aan | boorden aan |
| zij | boren aan | boorden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te boren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen boren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal boren | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou boren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden boren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt boren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen boren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen boren | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult boren | bijzin, toekomende tijd |
| aanboor | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanboorde | bijzin, verleden tijd |
| aanboorden | bijzin, verleden tijd |
| aanboort | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanborend | onvoltooid, deelwoord |
| aangeboord | verleden tijd, deelwoord |
| aangeboord te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangeboord te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangeboord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeboord te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeboord te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeboord worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangeboord zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangeboord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangeboord zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangeboord zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben aangeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| boor aan | gebiedende wijs |
| boorde aan | verleden tijd |
| er is aangeboord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangeboord | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangeboord | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangeboord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangeboord worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangeboord zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangeboord worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangeboord zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangeboord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangeboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangeboord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangeboord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangeboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangeboord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangeboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeboord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangeboord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanboren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangeboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangeboord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangeboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangeboord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangeboord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangeboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangeboord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangeboord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangeboord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangeboord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangeboord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangeboord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangeboord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangeboord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangeboord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangeboord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangeboord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangeboord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangeboord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangeboord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aanboren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanboren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanboren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanboren | bijzin, toekomende tijd |
| zal aangeboord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeboord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangeboord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangeboord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeboord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangeboord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeboord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn aangeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aanboren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanboren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanboren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanboren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aangeboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangeboord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeboord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangeboord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeboord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeboord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeboord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aanboren aan zou(dt) boren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanboren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanboren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanboren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanboren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangeboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangeboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangeboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangeboord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangeboord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangeboord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangeboord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangeboord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangeboord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aanboren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanboren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangeboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangeboord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangeboord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aanboren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanboren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanboren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanboren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanboren | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aangeboord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangeboord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangeboord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangeboord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangeboord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangeboord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangeboord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangeboord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangeboord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aanboren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en boren ww
Woordfamilie van aanboren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanboor | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanboren |
| aanboorde | subordinate-clause, verleden tijd | aanboren |
| aanboorden | subordinate-clause, verleden tijd | aanboren |
| aanboort | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanboren |
| aanbore | with-subordinate-clause | aanboren |
| aanborend | onvoltooid deelwoord | aanboren |
| aanborende | woordvorm | aanboren |
| aangeboord | voltooid deelwoord | aanboren |
| aangeboorde | woordvorm | aanboren |
| boor aan | gebiedende wijs | aanboren |
| boorde aan | verleden tijd | aanboren |
| boorden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanboren |
| boort aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanboren |
| bore aan | woordvorm | aanboren |
| boren aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanboren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanboren zijn vastgelegd.