aanbinden
werkwoord ˈambɪndə(n)Betekenis
- met bijvoorbeeld een koord, riem of touw bevestigen
- beginnen
Hoe spreek je aanbinden uit?
/ˈambɪndən/
Aanbinden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanbinden
aanbindenhele werkwoord — bond aanverleden tijd enkelvoud — bonden aanverleden tijd meervoud — aangebondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bind aan | bond aan |
| jij | bindt aan | bond aan |
| hij, zij, het | bindt aan | bond aan |
| wij | binden aan | bonden aan |
| jullie | binden aan | bonden aan |
| zij | binden aan | bonden aan |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te binden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal binden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou binden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden binden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt binden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen binden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult binden | bijzin, toekomende tijd |
| aanbind | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbindend | onvoltooid, deelwoord |
| aanbindt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbond | bijzin, verleden tijd |
| aanbonden | bijzin, verleden tijd |
| aanbondt | bijzin, verleden tijd |
| aangebonden | verleden tijd, deelwoord |
| aangebonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangebonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangebonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangebonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangebonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangebonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangebonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben aangebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bind aan | gebiedende wijs |
| bond aan | verleden tijd |
| er is aangebonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangebonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangebonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangebonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangebonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangebonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangebonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangebonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aanbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanbinden | bijzin, toekomende tijd |
| zal aangebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn aangebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aanbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aangebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aanbinden aan zou(dt) binden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aanbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aanbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanbinden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aangebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en binden ww
Woordfamilie van aanbinden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanbind | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbinden |
| aanbinde | with-subordinate-clause | aanbinden |
| aanbindend | onvoltooid deelwoord | aanbinden |
| aanbindende | woordvorm | aanbinden |
| aanbindt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbinden |
| aanbond | subordinate-clause, verleden tijd | aanbinden |
| aanbonden | subordinate-clause, verleden tijd | aanbinden |
| aangebonden | voltooid deelwoord | aanbinden |
| bind aan | gebiedende wijs | aanbinden |
| binde aan | woordvorm | aanbinden |
| binden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanbinden |
| bindt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanbinden |
| bond aan | verleden tijd | aanbinden |
| bonden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanbinden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbinden zijn vastgelegd.