aanbelangen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈambəˌlaŋə(n)Betekenis
- van belang zijn voor iemand
Hoe spreek je aanbelangen uit?
/ˈambəˌlaŋən/
Aanbelangen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| ə | de |
| l | land |
| ŋ | ding |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van aanbelangen
aanbelangenhele werkwoord — belangde aanverleden tijd enkelvoud — belangden aanverleden tijd meervoud — aanbelangdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | belang aan | belangde aan |
| jij | belangt aan | belangde aan |
| hij, zij, het | belangt aan | belangde aan |
| wij | belangen aan | belangden aan |
| jullie | belangen aan | belangden aan |
| zij | belangen aan | belangden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te belangen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen belangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal belangen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou belangen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden belangen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt belangen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen belangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen belangen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult belangen | bijzin, toekomende tijd |
| aanbelang | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbelangd | verleden tijd, deelwoord |
| aanbelangd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aanbelangd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aanbelangd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aanbelangd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aanbelangd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aanbelangd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aanbelangd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aanbelangd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanbelangd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanbelangd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanbelangde | bijzin, verleden tijd |
| aanbelangden | bijzin, verleden tijd |
| aanbelangend | onvoltooid, deelwoord |
| aanbelangt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| belang aan | gebiedende wijs |
| belangde aan | verleden tijd |
| ben aanbelangd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aanbelangd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aanbelangd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aanbelangd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aanbelangd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aanbelangd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aanbelangd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aanbelangd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aanbelangd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aanbelangd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aanbelangd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aanbelangd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aanbelangd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aanbelangd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aanbelangd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aanbelangd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aanbelangd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aanbelangd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aanbelangd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aanbelangd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aanbelangd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aanbelangd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aanbelangd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aanbelangd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aanbelangd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aanbelangd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aanbelangd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aanbelangd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanbelangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aanbelangd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aanbelangd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aanbelangd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aanbelangd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aanbelangd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aanbelangd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aanbelangd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aanbelangd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aanbelangd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aanbelangd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aanbelangd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aanbelangd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aanbelangd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aanbelangd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aanbelangd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aanbelangd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aanbelangd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aanbelangd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aanbelangd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aanbelangd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aanbelangd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aanbelangd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aanbelangd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanbelangd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aanbelangd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aanbelangd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aanbelangd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanbelangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanbelangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanbelangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanbelangen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aanbelangd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aanbelangd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aanbelangd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aanbelangd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aanbelangd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aanbelangd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aanbelangd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanbelangd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aanbelangd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aanbelangd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aanbelangd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aanbelangd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aanbelangd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanbelangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanbelangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanbelangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanbelangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanbelangen aan zou(dt) belangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanbelangd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aanbelangd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aanbelangd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanbelangd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanbelangd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanbelangd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanbelangd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aanbelangd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aanbelangd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanbelangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanbelangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanbelangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanbelangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aanbelangd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanbelangd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanbelangd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanbelangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanbelangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aanbelangd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aanbelangd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aanbelangd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanbelangd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanbelangd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanbelangd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanbelangd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aanbelangd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aanbelangd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanbelangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanbelangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanbelangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanbelangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanbelangen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aanbelangd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord aanbelang
Herkomst
samenstelling van aan vz en belangen ww
Woordfamilie van aanbelangen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanbelangd | voltooid deelwoord | aanbelangen |
| aanbelangde | subordinate-clause, verleden tijd | aanbelangen |
| aanbelangden | subordinate-clause, verleden tijd | aanbelangen |
| aanbelange | with-subordinate-clause | aanbelangen |
| aanbelangend | onvoltooid deelwoord | aanbelangen |
| aanbelangende | woordvorm | aanbelangen |
| aanbelangt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbelangen |
| belang aan | gebiedende wijs | aanbelangen |
| belangde aan | verleden tijd | aanbelangen |
| belangden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanbelangen |
| belange aan | woordvorm | aanbelangen |
| belangen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanbelangen |
| belangt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanbelangen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbelangen zijn vastgelegd.