aanbevelen
werkwoord ˈambəˌvelə(n)Betekenis
- over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
- aanprijzen
- toevertrouwen
Hoe spreek je aanbevelen uit?
/ˈambəˌvelən/
Aanbevelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| ə | de |
| v | vis |
| e | veel |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van aanbevelen
aanbevelenhele werkwoord — beval aanverleden tijd enkelvoud — bevalen aanverleden tijd meervoud — aanbevolenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beveel aan | beval aan |
| jij | beveelt aan | bevaalt aan |
| hij, zij, het | beveelt aan | beval aan |
| wij | bevelen aan | bevalen aan |
| jullie | bevelen aan | bevalen aan |
| zij | bevelen aan | bevalen aan |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te bevelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen bevelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal bevelen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou bevelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden bevelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt bevelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen bevelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen bevelen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult bevelen | bijzin, toekomende tijd |
| aanbevaalt | bijzin, verleden tijd |
| aanbeval | bijzin, verleden tijd |
| aanbevalen | bijzin, verleden tijd |
| aanbeveel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbeveelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbevelend | onvoltooid, deelwoord |
| aanbevolen | verleden tijd, deelwoord |
| aanbevolen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aanbevolen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aanbevolen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aanbevolen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aanbevolen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aanbevolen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aanbevolen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aanbevolen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanbevolen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanbevolen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben aanbevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aanbevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beval aan | verleden tijd |
| beveel aan | gebiedende wijs |
| er is aanbevolen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aanbevolen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aanbevolen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aanbevolen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aanbevolen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aanbevolen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aanbevolen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aanbevolen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aanbevolen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aanbevolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aanbevolen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aanbevolen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aanbevolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aanbevolen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aanbevolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aanbevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aanbevolen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aanbevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aanbevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aanbevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aanbevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aanbevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aanbevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aanbevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aanbevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aanbevolen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanbevelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aanbevolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aanbevolen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aanbevolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aanbevolen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aanbevolen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aanbevolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aanbevolen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aanbevolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aanbevolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aanbevolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aanbevolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aanbevolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aanbevolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aanbevolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aanbevolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aanbevolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aanbevolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aanbevolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aanbevolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aanbevolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aanbevelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanbevelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanbevelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanbevelen | bijzin, toekomende tijd |
| zal aanbevolen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aanbevolen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aanbevolen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanbevolen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aanbevolen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aanbevolen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aanbevolen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn aanbevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aanbevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aanbevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aanbevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aanbevelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanbevelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanbevelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanbevelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aanbevolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aanbevolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aanbevolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanbevolen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aanbevolen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aanbevolen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aanbevolen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aanbevolen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aanbevolen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aanbevelen aan zou(dt) bevelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanbevelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanbevelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanbevelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanbevelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanbevolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aanbevolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aanbevolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanbevolen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanbevolen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanbevolen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanbevolen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aanbevolen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aanbevolen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aanbevelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanbevelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aanbevolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanbevolen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanbevolen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aanbevelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanbevelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanbevelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanbevelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanbevelen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aanbevolen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aanbevolen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aanbevolen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanbevolen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanbevolen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanbevolen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanbevolen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aanbevolen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aanbevolen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘aanraden’ voor het eerst aangetroffen in 1656
Woordfamilie van aanbevelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanbeval | subordinate-clause, verleden tijd | aanbevelen |
| aanbevalen | subordinate-clause, verleden tijd | aanbevelen |
| aanbeveel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbevelen |
| aanbeveelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbevelen |
| aanbevele | with-subordinate-clause | aanbevelen |
| aanbevelend | onvoltooid deelwoord | aanbevelen |
| aanbevelende | woordvorm | aanbevelen |
| aanbevolen | voltooid deelwoord | aanbevelen |
| bevaalt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanbevelen |
| beval aan | verleden tijd | aanbevelen |
| bevalen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanbevelen |
| beveel aan | gebiedende wijs | aanbevelen |
| beveelt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanbevelen |
| bevele aan | woordvorm | aanbevelen |
| bevelen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanbevelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbevelen zijn vastgelegd.