Naar de inhoud

Voorzetsel: uitleg met voorbeelden en vaste voorzetsels

Een voorzetsel is een klein woord dat een verband legt tussen woorden in een zin, bijvoorbeeld van plaats, tijd of reden. Voorbeelden zijn in, op, met, voor en naar. Op deze pagina lees je wat een voorzetsel is, hoe een voorzetselgroep is opgebouwd en wat vaste voorzetsels bij werkwoorden zijn, met veel voorbeelden.

Door

Wat is een voorzetsel?

Een voorzetsel is een woord dat een verband legt tussen een zelfstandig naamwoord (of voornaamwoord) en de rest van de zin. Het staat meestal voor dat woord, vandaar de naam. Samen met het woord dat erbij hoort vormt het een voorzetselgroep: in de tuin, met mijn broer, na de les.

Een voorzetsel geeft vaak aan:

  • waar iets is of heen gaat: op tafel, naar school, onder de brug;
  • wanneer iets gebeurt: na de les, tijdens de vakantie, om acht uur;
  • hoe of waarmee iets gebeurt: met een mes, zonder suiker;
  • waarom iets gebeurt: door de regen, wegens ziekte.

Veelgebruikte voorzetsels zijn aan, achter, bij, door, in, met, naar, om, op, over, tot, tussen, uit, van, voor en zonder. Een voorzetsel is onveranderlijk: het krijgt geen uitgang, geen meervoud en geen verleden tijd.

Voorzetsels zijn kort, maar ze maken een zin een stuk preciezer: de pen ligt op de tafel zegt iets anders dan de pen ligt onder de tafel. Ze vormen ook vaste combinaties met werkwoorden, zoals wachten op.

Soms staat het voorzetsel niet vóór maar na het woord waarbij het hoort: de berg op, het bos in. De betekenis verandert daardoor niet, het gaat nog steeds om een verband tussen de woorden. Een voorzetsel staat nooit alleen. Er hoort altijd een woord of een woordgroep bij, anders is het meestal een bijwoord.

Voorzetsels in zinnen

In de zinnen hieronder staat het voorzetsel schuin. Bij elke zin lees je wat het voorzetsel doet.

  • Het boek ligt op de tafel. Het voorzetsel op geeft aan waar het boek ligt.
  • Wij gaan na het eten wandelen. Het voorzetsel na geeft een moment in de tijd aan.
  • Hij snijdt het brood met een mes. Het voorzetsel met noemt het middel waarmee het gebeurt.
  • Ik wacht op de bus. Hier hoort op vast bij het werkwoord wachten, je kunt geen ander voorzetsel kiezen.
  • Zij denkt aan haar vakantie. Ook aan hoort vast bij het werkwoord denken.
  • De kat sprong de tafel op. Hier staat het voorzetsel na het woord waarbij het hoort.
  • Hij kwam door de regen te laat. Het voorzetsel door geeft hier de oorzaak aan.
  • Zij woont tussen de bakker en de supermarkt. Het voorzetsel tussen geeft aan dat iets in het midden ligt.
  • Hij werkt zonder pauze. Het voorzetsel zonder betekent dat er iets ontbreekt.

Je ziet dat één voorzetsel meerdere betekenissen kan hebben. Het woord op geeft in de ene zin een plaats aan en hoort in een andere zin vast bij een werkwoord. De betekenis hangt dus af van de zin. Maak zelf zinnen met een voorzetsel om dit te oefenen.

Vaste voorzetsels en voornaamwoordelijke bijwoorden

Veel werkwoorden hebben een vast voorzetsel dat je niet vrij kunt kiezen. Voorbeelden zijn wachten op, denken aan, houden van, zoeken naar, kijken naar en bang zijn voor. Je zegt dus Ik hou van muziek en niet Ik hou op muziek. Bij twijfel kun je het werkwoord met zijn voorzetsel opzoeken in een woordenboek. Het helpt om zo’n combinatie als één geheel te onthouden. Ook bij bijvoeglijke naamwoorden komt een vast voorzetsel voor, zoals bij trots op, blij met en boos op. Je zegt dus Ik ben trots op je.

Een voorzetsel kan ook samen met een woord als er, daar, hier of waar één woord vormen. Dat noem je een voornaamwoordelijk bijwoord. Je gebruikt het als het voorzetsel verwijst naar een zaak, een situatie of een gebeurtenis:

  • Ik reken op het geld wordt Ik reken erop;
  • Ze praten over het plan wordt Ze praten erover;
  • bij een vraag over een zaak zeg je Waar wacht je op? en niet Op wat wacht je?.

Gaat het om een persoon, dan gebruik je het voorzetsel met een persoonlijk voornaamwoord: Ik reken op hem, niet Ik reken erop als je hem bedoelt. Zo zie je dat een voorzetsel ook aan het einde van een zin kan staan, zoals in Waar wacht je op?. Dat is correct Nederlands.

Veelgestelde vragen

Hoe herken je een voorzetsel in een zin?

Een voorzetsel staat bijna altijd bij een zelfstandig naamwoord of voornaamwoord en legt een verband met de rest van de zin. Je kunt het herkennen aan de vraag of het woord vóór de tafel, mijn broer of hem kan staan, zoals in op de tafel, met mijn broer en voor hem. Een voorzetsel verandert nooit van vorm. Het heeft geen meervoud, geen verleden tijd en geen uitgang. Staat er geen woord bij, dan is het vaak een bijwoord.

Wat is het verschil tussen een voorzetsel en een voegwoord?

Een voorzetsel staat bij een woord of een woordgroep, een voegwoord verbindt zinsdelen of zinnen. In Ik wacht tot vijf uur staat tot voor een woordgroep, dus is het een voorzetsel. In Ik wacht tot het vijf uur is staat tot voor een bijzin met een persoonsvorm, dus is het een voegwoord. Sommige woorden, zoals voor, na en sinds, kunnen beide zijn. Kijk dus altijd naar wat erachter staat.

Mag je een zin met een voorzetsel laten eindigen?

Ja, dat mag. Vooral in vragen en in zinnen met een voornaamwoordelijk bijwoord staat het voorzetsel vaak aan het einde, bijvoorbeeld Waar wacht je op? of Dit is het huis waar ik in woon. Het is een veelgehoorde misvatting dat dit fout zou zijn, die komt uit andere talen. In het Nederlands is het gewoon correct. Het voorzetsel hoort dan nog steeds bij het woord waarnaar het verwijst, ook al staat het ver weg.