aanbijten
werkwoord ˈambɛitə(n)Betekenis
- in het aas bijten
- het eerste stuk van iets bijten
Hoe spreek je aanbijten uit?
/ˈambɛitən/
Aanbijten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| ɛi | trein |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanbijten
aanbijtenhele werkwoord — beet aanverleden tijd enkelvoud — beten aanverleden tijd meervoud — aangebetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bijt aan | beet aan |
| jij | bijt aan | beet aan |
| hij, zij, het | bijt aan | beet aan |
| wij | bijten aan | beten aan |
| jullie | bijten aan | beten aan |
| zij | bijten aan | beten aan |
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te bijten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen bijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal bijten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen bijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen bijten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult bijten | bijzin, toekomende tijd |
| aanbeet | bijzin, verleden tijd |
| aanbeten | bijzin, verleden tijd |
| aanbijt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbijtend | onvoltooid, deelwoord |
| aangebeten | verleden tijd, deelwoord |
| aangebeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beet aan | verleden tijd |
| bijt aan | gebiedende wijs |
| er is aangebeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangebeten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangebeten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangebeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangebeten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangebeten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangebeten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangebeten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangebeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangebeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangebeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangebeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangebeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangebeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangebeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangebeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangebeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanbijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aanbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanbijten | bijzin, toekomende tijd |
| zal aangebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou aanbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanbijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aangebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aanbijten aan zou(dt) bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanbijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aanbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanbijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aanbijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanbijten | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aangebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aanbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanbijten | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal aanbijten aan zult/zal bijten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en bijten ww
Woordfamilie van aanbijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanbijt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbijten |
| aanbijte | with-subordinate-clause | aanbijten |
| aanbijtend | onvoltooid deelwoord | aanbijten |
| aanbijtende | woordvorm | aanbijten |
| aangebeten | voltooid deelwoord | aanbijten |
| beet aan | verleden tijd | aanbijten |
| beten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanbijten |
| bijt aan | gebiedende wijs | aanbijten |
| bijte aan | woordvorm | aanbijten |
| bijten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanbijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbijten zijn vastgelegd.